
Hieronder tref je een verslag van een socratisch groepsgesprek van ca. anderhalf uur in vijf stappen. Voor de volledigheid eerst nog even de regels waaraan een socratisch gesprek moet voldoen:
– Stel je oordeel uit
– Luister nauwkeurig
– Wees concreet/ vraag naar de feiten
– Verdraag het niet-weten
– Stel je empathie uit
– Gebruik in je vraag de woorden van de ander
1.DE VRAAG
‘Wanneer mag je beslissingen ten aanzien van medische handelingen aan de familie overlaten?
2.CONCRETISEREN
Om ons oordeel uit te stellen willen we eerst vragen stellen over wat feitelijk het geval is en niet meteen antwoorden of meningen geven. Daarom vragen we iemand van de deelnemers om een voorbeeldervaring bij de vraag: ‘Wie heeft er een concrete ervaring waarin deze vraag speelde?’
Het voorbeeld kwam van zorgprofessional Jurgen. Hij had in het ziekenhuis een cliënt die naar huis mocht, waarbij de familie thuis met een medische handeling zou moeten ondersteunen. Voorafgaande aan het ontslag van de cliënt ging de familie oefenen met de medische handeling. Ze vroegen Jurgen om te kijken of het goed ging. Jurgen vond de uitvoering niet grondig genoeg en wilde voordoen hoe het beter kon. Hij werd echter tegengehouden door de familie.
De aanwezigen worden nu gevraagd vragen te stellen aan Jurgen om ieder voor zich een duidelijk beeld van de situatie te krijgen. het gaat in een socratisch gesprek vaak om de kleine details rondom een hittepunt, wat gebeurde er precies, waardoor deze vraag is ontstaan? De volgende vragen werden gesteld:
Vraag: Wie riep jouw erbij?
Antwoord: De zoon
Vraag: Wat zag je dat onvoldoende was?
Antwoord: Het ging om het uitzuigen van de longen. Dat werd onvoldoende diep gedaan
Vraag: En toen?
Antwoord: Toen wilde ik voordoen hoe het wel moest en werd ik tegengehouden door de familieleden
Vraag: Hoe bedoel je, tegengehouden?
Antwoord: De vrouw van de cliënt wilde niet dat ik het deed. ‘Hij vindt dat erg vervelend’, zei ze. Ook de client zelf wilde liever niet dat ik het nog grondiger deed.
Vraag: Wat zei jij toen?
Antwoord: Ik zei dat er nog slijm in de longen zat. Ik heb dat uitgelegd aan de hand van de getallen die er te zien waren. En ik vertelde dat de cliënt daarmee een verhoogde kans liep op longontsteking.
Vraag: Ik zou checken of de cliënt misschien zelf zijn longen schoon kan krijgen.
Interventie: Zou je je advies nog even uit willen stellen. Dat is straks als we allemaal antwoorden gaan geven heel welkom. Voor nu wil ik je vragen om van wat je zegt een vraag te maken.
Vraag opnieuw: Heb je gevraagd of de cliënt zijn lingen zelf schoon kan krijgen?
Antwoord: Ja, dat heb ik gecheckt. Hij kan dat niet.
Vraag: Hoe ging het toen verder?
Antwoord: Toen zeiden zij. Maar we hebben het zo geleerd in een ander ziekenhuis en denken dat het zo goed is.
Vraag: Zeiden ze nog meer: Ja, de echtgenote zei dat haar man het uitzuigen heel vervelend vond.
Vraag: Heb je het toen alsnog gedaan?
Antwoord. Ja. Het moest. De cliënt liep gevaar zo.
Vraag: Wat voelde je daarbij?
Antwoord: Ik voelde me opgelaten, omdat niemand wilde dat ik dat deed.
De gespreksleider rondt de concretisering af:
Ik wil jullie zodadelijk vragen je te verplaatsen in de schoenen van Jurgen in deze situatie. Daarvoor wil ik graag nog een keer het hittepunt checken. Jurgen, wat was het moment waar het voor jou om draaide gezien deze vraag?
Antwoord: Dat was het moment dat de echtgenote zei dat ze het anders geleerd had en daar graag aan vast wilde houden. Toen dacht ik. Mag ik dit nu aan de familie overlaten, of is het nog steeds mijn verantwoordelijkheid?
3. VERPLAATSEN
Tot zover Jurgens bijdrage als voorbeeldgever. Vanaf hier verplaatsen de deelnemers zich in de situatie en wordt de uitgangsvraag en de casus van iedereen, zodat we allemaal kunnen reflecteren. Het is niet de bedoeling Jurgen advies te geven. Allen verplaatsen zich -als zichzelf, met hun eigen karakter – in het hittepunt.
Aan de deelnemers -met uitzondering van de voorbeeldgever- wordt nu gevraagd:
Als jij je in Jurgens situatie zou bevinden, in het hittepunt:
1. Wat zou jij voelen?
2. Wat zou jij denken?
3. Wat zou jij doen?
Schrijf je antwoorden op een vel papier.
Dit waren de antwoorden:
Voelen: Ongemakkelijk, geïrriteerd, machteloos, onzeker
Denken: Ben ik verantwoordelijk als zij het straks fout doen? Ik moet voorkomen dat deze cliënt longontsteking krijgt. Hoe kan het dat ze dat zo geleerd hebben? Er is wel een protocol, maar wat doe ik nu ze zich er niet aan willen houden?
Doen: De handeling voordoen op de juiste manier en de familie vertellen dat ze het zo moeten doen. De client niet laten gaan voordat de familie toezegt het grondig te zullen doen.
4. ARGUMENTEREN
Om niet in een oplossingsgericht gesprek te verzanden worden de deelnemers nu gevraagd om een voorlopig antwoord te geven op de hoofdvraag:
‘Wanneer mag je beslissingen ten aanzien van medische handelingen aan de familie overlaten?
Bovendien worden ze gevraagd in hun argumenten dicht bij de voorbeeldsituatie te blijven. De gespreksleider noteert een aantal antwoorden op flip-over.
De volgende antwoorden en argumenten worden genoteerd:
(1)
Antwoord: Als je de familie goed geïnformeerd hebt, volgens protocol.
Argument: Het goed informeren en voordoen is je taak, verder gaat die taak niet.
(2)
Antwoord: Als je ziet dat de familie echt begrijpt dat het belangrijk is wat je vertelt. Als je weet dat ze doorhebben hoe grondig ze het moeten doen.
Argument: Dan heb je alles gedaan wat je kon, vanuit jouw positie.
(3)
Antwoord: Pas als je zeker weet dat de familieleden het ook zo grondig gaan doen. Dat ze zich niet laten tegenhouden doordat de cliënt het vervelend vindt. De familieleden zijn vaak te begaan met de client om het goed te kunnen doen.
Hierna vraagt de gespreksleider de deelnemers elkaar te bevragen over de antwoorden en argumenten. Door zich in elkaars uitspraken te verdiepen ontstaat vaak een begrip en mildheid over en weer.
Dan vraagt de gespreksleider naar de onderliggende overtuigingen die zich hier tonen. Dat is een manier om het gesprek te verdiepen waardoor de inzichten vaak op een fundamenteler niveau dichter bij elkaar komen.
Bij 1. Je bent alleen verantwoordelijk voor wat formeel je taak is, volgens protocol.
Bij 2. Je moet doen wat in je macht ligt om de medische behandeling goed over te brengen op de familie.
Bij 3. Je mag het pas loslaten als je weet dat de familie zich niet door de cliënt zal laten tegenhouden om het grondig te doen.
In deze fase van het gesprek begeleidt de gespreksleider de groep met ‘het vruchtbaar maken van verschillen’ door de deelnemers te vragen om de overeenkomsten en verschillen tussen de overtuigingen te noemen en bespreken. In de dialoog die volgt komen een aantal essentie van deze kwestie naar boven:
- Familie is geen medisch personeel, maar we zullen het ermee moeten doen
- Je professionaliteit vereist dat je doortastend bent en aandacht van de familie eist voor de juiste medische handeling / het juiste protocol
- Je bent niet verantwoordelijk voor de gevoelens die tussen familieleden spelen en een juiste medische handeling thuis in de weg staan.
5. DE ESSENTIE
De gespreksleider vraagt de aanwezigen of ze met elkaar tot een uitspraak/ een regel kunnen komen ten aanzien van deze vraag. De groep komt samen tot de volgend regel:
Je mag het aan de familie overlaten nadat je alles wat in je macht is gedaan hebt om het juiste protocol over te brengen.
Het Socratisch Gesprek,
Oktober 2025
