
Hieronder tref je een beschrijving van een socratisch groepsgesprek van ca. anderhalf uur in vijf stappen. Voor de volledigheid eerst nog even de regels waaraan een socratisch gesprek moet voldoen:
– Stel je oordeel uit
– Luister nauwkeurig
– Wees concreet/ vraag naar de feiten
– Verdraag het niet-weten
– Stel je empathie uit
– Gebruik in je vraag de woorden van de ander
1.DE VRAAG
Moet je onvoorwaardelijk hulp geven aan een vriendin?
2.CONCRETISEREN
Om ons oordeel uit te stellen willen we eerst vragen stellen over wat feitelijk het geval is en niet meteen antwoorden of meningen geven. Daarom vragen we iemand van de deelnemers om een voorbeeldervaring bij de vraag: ‘Wie heeft er een concrete ervaring waarin deze vraag speelde?’
Het voorbeeld kwam van Josefien. Een van de vriendinnen uit een groep van zes, te weten Karina, is sinds een aantal jaren lichamelijk uitgeput vanwege een slepende ziekte. Karina had Josefien gevraagd of de vriendinnen misschien afwisselend bij haar licht schoonmaakwerk zouden kunnen komen doen. Binnen de vriendinnengroep was daar wisselend op gereageerd.
De aanwezigen worden nu gevraagd vragen te stellen aan Josefien om ieder voor zich een duidelijk beeld van de situatie te krijgen. Het gaat in een socratisch gesprek vaak om de kleine details rondom een hittepunt, wat gebeurde er precies, waardoor deze vraag is ontstaan? De gespreksleider let erop dat de onderzoekende houding bewaard blijft, dat wil zeggen dat er geen suggesties worden gedaan of meningen gegeven, maar louter vragen gesteld om een beeld te vormen van het moment waarop het schuurde voor Josefien. De volgende vragen werden gesteld:
Vraag: Hoe ging dat gesprek met je vriendinnen precies?
Josefien: Het was in de appgroep. Ik had de vraag van Karina aan de vriendinnen doorgegeven in de app groep
Vraag: En toen?
Josefien: Iemand belde me en zei: voordat we hierop ingaan moeten we eerst weten, is het ad hoc of structureel?
Vraag: Hoe reageerde jij?
Josefien: Ik was geïrriteerd en zei: nu heb je een mooi initiatief meteen de grond in geboord. Zij vertelde dat ze een vergelijkbare situatie met een vriendin gehad had en dat ze daar 6 jaar lang heel intensief voor had gezorgd.
Vraag: Denk je dat het goed is voor de vriendschap om bij een vriendin te gaan schoonmaken?
Interventie van de gespreksleider: Kun je proberen nog even bij de concrete situatie te blijven en nog niet naar een mening te vragen?
Vraag: Hoe lang kennen jullie elkaar al?
Josefien: 15 jaar
Vraag: En is het een goede vriendschap?
Josefien: We doen veel leuke dingen met elkaar. Tot voor een paar jaar was Karina daar altijd bij. Ze is enorm gezellig.
Vraag: Zien jullie haar nu nog regelmatig?
Josefien: Nee, ik betrap mezelf er af en toe op dat ik al heel lang niet aan haar gedacht heb.
Vraag: Wanneer heeft Karina het aan jou gevraagd, van dat schoonmaken?
Josefien: Ik was laatst bij haar en toen vroeg ze het. Ik zag ook wel dat het vies was daar.
Vraag: wat dacht je toen?
Josefien: Daar heb ik helemaal geen zin in maar het moet.
Vraag: Waarom zeg je ‘het moet’?
Josefien: Vanuit een soort sociale plicht
Vraag: Heb je het er nog met iemand over gehad?
Josefien: Ja, met m’n man
Vraag: En wat zei hij?
Josefien: Hij vindt dat Karina’s man moet gaan schoonmaken.
De gespreksleider rondt de concretisering af:
Ik wil jullie zo dadelijk vragen je te verplaatsen in de schoenen van Josefien in deze situatie. Daarvoor wil ik graag het hittepunt checken. Josefien, wat was het moment waar het voor jou om draaide gezien deze vraag?
Josefien: Dat was het telefoongesprek met die vriendin die vroeg of het structureel zou zijn. Toen dacht ik. We moeten niet reageren met een wedervraag. We moeten dit doen.
3. VERPLAATSEN
Tot zover Josefiens bijdrage als voorbeeldgever. Vanaf hier verplaatsen de deelnemers zich in de situatie en wordt de uitgangsvraag en de casus van iedereen, zodat we allemaal kunnen reflecteren. Het is niet de bedoeling om Josefien advies te geven. Allen verplaatsen zich -als zichzelf, met hun eigen karakter – in het hittepunt.
Aan de deelnemers -met uitzondering van de voorbeeldgever- wordt nu gevraagd:
Als jij je in Josefiens situatie zou bevinden, in het hittepunt:
1. Wat zou jij voelen?
2. Wat zou jij denken?
3. Wat zou jij doen?
Schrijf je antwoorden op een vel papier.
Dit waren de antwoorden:
Voelen: Twijfel, irritatie, onzekerheid.
Denken: Wat als we er tien jaar aan vastzitten, dit is een bredere vraag, Karina heeft behoefte aan onze nabijheid, laten we helpen en de taken verdelen, kennelijk zijn er verschillende standpunten.
Doen: af en toe schoonmaken maar geen vaste toezegging, even helemaal niets vanwege de teleurstelling van dat telefoontje, bespreken met elkaar wat we kunnen betekenen.
4. ARGUMENTEREN
Om niet in een oplossingsgericht gesprek te verzanden worden de deelnemers nu gevraagd om een voorlopig antwoord te geven op de hoofdvraag:
‘Moet je onvoorwaardelijk hulp geven aan een vriendin?’
Bovendien worden ze gevraagd om in hun argumenten dicht bij de voorbeeldsituatie te blijven. De gespreksleider noteert een aantal antwoorden op flip-over.
De volgende antwoorden en argumenten worden genoteerd:
Antwoord: Ja, helpen zoals Karina vraagt, maar geregeld overleg houden of we zo door moeten gaan
Argument: want dit is wat Karina het liefste wil, maar we moeten ook voor onszelf en de relatie zorgen
Antwoord: Niet onvoorwaardelijk. Je mag vragen stellen over hoe dit er precies uit gaat zien.
Argument: je hebt een vriendschappelijke relatie en die komt van twee kanten
Antwoord: Niet onvoorwaardelijk, maar je moet wel helpen. Je mag zegen wat je denkt dat doenlijk is voor je.
Argument: want dit is ook vriendschap en andere vormen van vriendschap zijn nu minder mogelijk, maar je moet er niet ongelukkig van worden
Antwoord: Nee, voorwaarden stellen.
Want: Voorwaarden zijn belangrijk voor het behouden van een vriendschap
Hierna vraagt de gespreksleider de deelnemers elkaar te bevragen over de antwoorden en argumenten. Door zich in elkaars uitspraken te verdiepen ontstaat vaak een begrip en mildheid over en weer.
Dan vraagt de gespreksleider naar de onderliggende overtuigingen die zich hier tonen. Dat is een manier om het gesprek te verdiepen waardoor de inzichten vaak op een fundamenteler niveau dichter bij elkaar komen.
Deze overtuigingen worden genoemd:
In een vriendschap is duidelijkheid, openheid en transparantie nodig.
Je bent niet verantwoordelijk voor een schoon huis, maar je moet wel op de een of andere manier helpen. Dat is vriendschap.
Voorwaarden zijn belangrijk voor het behoud van een vriendschap
In deze fase van het gesprek begeleidt de gespreksleider de groep met ‘het vruchtbaar maken van verschillen’ door de deelnemers te vragen om de overeenkomsten en verschillen tussen de overtuigingen te noemen en bespreken. Het gesprek gaat over de spanning tussen een ander willen helpen en je zelfbehoud. Dat laatste zit vaak heel dicht aan tegen het behoud van de relatie.
Wat hier gebeurde is: Gaandeweg vindt de voorbeeldgever, Josefien, het helemaal zo vreemd niet meer dat een van de vriendinnen de voorwaarden wilde bespreken waaronder geholpen gaat worden.
5. DE ESSENTIE
De gespreksleider vraagt de aanwezigen of ze met elkaar tot een uitspraak/ een regel kunnen komen ten aanzien van deze vraag. De groep komt samen tot de volgend regel:
Je moet een vriendin in een hulpvraag tegemoet komen en mag voorwaarden stellen,. Je hoeft niet alles op te lossen.
Oktober 2025
