Hieronder tref je het verslag van een socratisch gesprek in opdracht van The Future Society NL, een not-for-profit groep van mensen (citizens) bestaande uit wetenschappers, kunstenaars, ondernemers, ontwikkelaars en futuristen. Aan het gesprek namen acht  leden van The Future Society NL deel wiens namen zijn geanonimiseerd.

Voor de volledigheid eerst nog even de structuur en de regels waaraan een socratisch gesprek moet voldoen:

STRUCTUUR:

 

 

REGELS:

(dit zijn tevens een aantal van de belangrijke socratische vaardigheden)

– Stel je oordeel uit

– Luister nauwkeurig

– Wees concreet/ vraag naar de feiten

– Denk zelf, verlaat je niet op kennis of autoriteit van anderen

– Verdraag het niet-weten

– Stel je empathie uit

– Gebruik in je vraag de woorden van de ander

 

1.DE VRAAG

Wat is  verantwoord schermgebruik?

Aanleiding was de constatering dat schermgebruik een steeds grotere plek inneemt binnen ons dagelijks leven en werk, onze contacten en activiteiten. Daarbij werd tevens vooruit geblikt naar een toekomst waarin het scherm een alsmaar grotere rol in samen leven en werken zal gaan spelen.

Als eerste werden deelnemers gevraagd de vraag nader in te vullen. Waar vraag je naar als je naar verantwoord schermgebruik vraagt? Dit leverde de volgende vragen op:

-Wanneer wordt het ongezond?

-Wanneer leidt het tot persoonlijke groei?

-Wanneer is schermtijd verantwoord besteed?

-Tot wanneer is schermgebruik een vrije keuze?

-Wie is er gebaat bij schermgebruik en wie niet?

-Aan wie of wat moet schermgebruik verantwoord worden? (de natuur, de economie, individuen, de maatschappij, de politiek?)

-Wanneer is het goed?

-Hoe bepaal je je eigen norm?

In het vervolg van het gesprek lag de focus op het overschrijden van de grens van verantwoord schermgebruik. De onderliggende vraag voor het gesprek werd daarmee: 

‘Wanneer is je schermgebruik niet langer verantwoord?’

2. CONCRETISEREN EN VERPLAATSEN

Het mechanisme van het socratisch gesprek zorgt ervoor dat veel aspecten van het voorliggende thema aan bod komen door gezamenlijk te reflecteren op slechts één voorbeeldervaring van een van de aanwezigen. Dat kan een privé- of zakelijke situatie zijn. Een vereiste is dat er een twijfel ten aanzien van eigen handelen bestaat. In dit geval werd na een tijdje een tweede voorbeeldervaring geïntroduceerd.

Het voorbeeld vanGovert:

Govert heeft zijn smart phone permanent bij de hand en kijkt er meerdere keren per half uur op. Dat doet hij ook als hij tijd met zijn kinderen doorbrengt. Govert is van mening dat het absoluut niet de bedoeling is om met je telefoon bezig te zijn, terwijl je thuis tijd met je kinderen doorbrengt. Toch gebeurt het regelmatig dat hij ‘even een email beantwoordt’ of ‘even het een en ander opzoekt’. Hij vraagt zich af of en hoe hij hier verandering in moet brengen.

Het voorbeeld van José:

Zij heeft met haar man de afspraak gemaakt dat er ’s avonds na tien uur geen scherm meer gebruikt wordt. Op die manier waken zij ervoor dat ze ook nog ‘tijd met z’n tweeën’ hebben. De voorbeeldervaring was dat José’s man onlangs toch na tien uur op zijn iPad zat. De laatste tijd leest hij namelijk ook boeken op zijn iPad. Maar op een gegeven moment was hij niet meer aan het lezen, maar aan het typen. Op dat moment dacht José: ‘nu wordt er een grens overschreden’.

De concretisering bestaat eruit dat de aanwezigen de feiten uit de voorbeeldsituaties van José en Govert gedetailleerd navragen. Er wordt naar feiten gevraagd (wie, wat waar, wanneer, hoe, wat werd er gedaan, gedacht en gevoeld?) en naar beweegredenen bij die feiten (wat maakte dat iemand dat dacht/deed?).

Het doel is om de voorbeelden duidelijk, ‘als een filmpje’ voor je te zien, zodat alle deelnemers zich later in het gesprek kunnen verplaatsen in de voorbeeldsituatie en kunnen zeggen wat zij zelf zouden voelen, denken en doen in deze situatie.

Let op: Het gaat er niet om de voorbeeldgever te helpen en te adviseren (zoals bij intervisie), het doel is dat alledeelnemers gaan reflecteren op de uitgangsvraag en dat doen aan de hand van hetzelfde ervaringsvoorbeeld.

We bespreken de voorbeelden niet door elkaar, maar één voorbeeldsituatie tegelijk.

Aan de hand van vragen werden de voorbeelden duidelijker en gedetailleerder voor alle aanwezigen.

 

Het voorbeeld van Govert:

Hij kijkt op zijn scherm wanneer de kinderen voor zichzelf bezig zijn en zijn aandacht niet vragen. Als er berichten zijn dan beantwoordt hij die meestal meteen. Hij vindt dat het ‘per keer dat hij het doet’ (met zijn scherm bezig zijn) wel meevalt. Maar hij doet het toch veel vaker dan hij zou willen en uiteindelijk best wel vaak. De herhaling is het probleem. Hij heeft dit probleem alleen met zijn telefoon. Van zijn computer kan hij wel wegblijven, maar de berichten die op zijn telefoon binnenkomen kan hij moeilijk negeren.

De anderen verplaatsen zich in dit voorbeeld en vertellen wat zij zouden ‘voelen, denken en doen’ als ze zelf in deze situatie zouden zijn:

-Ik doe dan wat ik niet wil. Ik word als het ware in mijn scherm gezogen en dat voelt als verlamming.

-Je hebt er geen grip op. Wat binnenkomt op je telefoon gaat over jou.

-Het is zo verleidelijk, mensen zijn niet uitgerust om hier weerstand aan te bieden.

-Je voelt je aangesproken want het is persoonlijk gerichte communicatie.

-Je uithoudingsvermogen in de échte wereld neemt af.

 

Het voorbeeld van José:

Als mijn man ’s avonds aan het lezen is op zijn iPad is hij nog steeds ‘met mij in de kamer’, maar zodra hij berichten gaat lezen of beantwoorden is hij in een ander universum waar ik niet bijkan.

Bij verplaatsing in het voorbeeld van José, waren de antwoorden in de verplaatsing van de deelnemers:

-Je leeft in twee werelden en minder in de gemeenschappelijke.

-Terwijl je met elkaar in één ruimte bent, besluit de ander dus ergens anders naar toe te gaan, zich van jou af te sluiten. Het voelt als jaloezie, je weet niet waar de ander is.

-De echte wereld gaat in principe vóor, maar zo handel je dus niet.

 

Aan het einde van de verplaatsing worden de deelnemers gevraagd een voorlopig antwoord te geven op de uitgangsvraag,

‘Wanneer is schermgebruik niet langer verantwoord?’

Dit levert de volgende -voorlopige- uitspraken op:

-Als het is alsof je niet langer in de ander geïnteresseerd bent.

-Als je het protocol van gezamenlijkheid doorbreekt.

-Als mijn gedrag haaks staat op mijn intentie.

-Als je de ander buitensluit. De digitale wereld is een persoonlijk domein. De ander kan er niet bij.

 

3. ARGUMENTEREN

De gespreksleider kiest nu enkele uitspraken en vraagt de betreffende deelnemers hun uitspraak te beargumenteren. Belangrijk hierbij is dat de sprekers in hun argumentatie nog steeds binnen het voorliggende ervaringsvoorbeeld blijven (dit voorkomt dat de argumenten abstract en gratuit worden). Hierop volgt een discussie die de volgende uitspraken oplevert:

Je doet iets wat je niet van plan was te doen.

Je wordt gemanipuleerd door de buitenwereld.

Het voelt alsof je ‘schade oploopt’ wanneer je het scherm mist / fear of missing out.

Je verliest je reflectieve houding.

Het is verslavend.

Je ziet de valkuilen niet.

 

4. DE ESSENTIE

In de laatste fase van het gesprek vraagt de gespreksleider om fundamentele uitspraken.

‘Waar gaat dit gesprek over voor jou?’ ‘Wat gaat je hierin aan het hart?’:

-Identiteit

-Handelen uit vrijheid

-Jezelf blijven

-Zelfverantwoording (n tegenstelling tot verantwoording aan de groep)

 

5. TERUG NAAR DE UITGANGSVRAAG

De uitgangsvraag van dit gesprek was niet ‘Wanneer is schermgebruik niet langer verantwoord?’,

maar ‘Wat is verantwoord schermgebruik?’

 

Als antwoord hierop werd geformuleerd:

‘De echte wereld heeft nog steeds de voorrang.

Schermgebruik is verantwoord als het intentioneel en transparant is,

 rekening houdend met het protocol van gezamenlijkheid.’

 

Om het bovenstaande ook in praktijk te kunnen brengen waren aanwezigen het erover eens dat ze zichzelf moeten disciplineren -eventueel met (digitale) trucs- om te voorkomen dat ze verleidt worden door het scherm.

 

 

Share →
QR Code Business Card