Wanneer moet je loyaal zijn aan de ander?

Anouk wordt, zowel zakelijk als privé, geregeld door anderen aan het twijfelen gebracht over haar loyaliteit. Hoe loyaal moet je zijnl? Toen Anouk deze vraag stelde tijdens een socratische cursus bleken de andere gespreksdeelnemers zich er direct in te herkennen. Een goed uitgangspunt voor een gezamenlijk, socratisch onderzoek.

Hieronder tref je een beschrijving van een socratisch gesprek van ca. 2 1⁄2 uur. Voor de volledigheid hieronder eerst nog even de structuur en de regels waaraan een socratisch gesprek moet voldoen:

 

STRUCTUUR

page1image980909600

 

REGELS
(dit zijn tevens een aantal belangrijke socratische vaardigheden)

–  Stel je oordeel uit

–  Luister nauwkeurig

–  Wees concreet/ vraag naar de feiten

–  Denk zelf, verlaat je niet op kennis of autoriteit van anderen

–  Verdraag het niet-weten

–  Stel je empathie uit

–  Gebruik in je vraag de woorden van de ander

DE VRAAG

Een socratisch gesprek begint met een voorbeeldsituatie of een vraag die de aanwezigen collectief willen onderzoeken. In dit geval was de vraag:

“Wanneer moet je loyaal aan de ander zijn?”

 

HET VOORBEELD

Een voorbeeldsituatie of casus is een praktijksituatie die een van de gespreksdeelnemers heeft meegemaakt en waarin de uitgangsvraag (impliciet) speelde.
NB Hoe groot of zakelijk een uitgangsvraag ook is, een voorbeeld mag altijd klein en zelfs privé zijn. Hoe eenvoudiger een voorbeeld, des te beter kunnen de uitspraken van de deelnemers aan elkaar gescherpt worden en des te meer kan doorgevraagd worden naar fundamentele inzichten die achter de uitspraken liggen. Ook het meest eenvoudige voorbeeld geeft antwoord op grote vragen, want “het grote toont zich in het kleine”.

In dit geval werd uit de voorbeelden van de aanwezigen dat van Anouk gekozen. De casus was, kort omschreven, als volgt:
Voor het afgelopen familie-kerstdiner waren de drie jonge kinderen van Anouk’s broer Herman -zonder Herman’s medeweten- uitgenodigd door de gastheer van dat jaar, broer Cees. Herman was op dat moment op vakantie met zijn tweede vrouw en zijn kinderen waren bij zijn eerste vrouw, hun moeder. Na afloop had Herman Anouk in een telefoongesprek verweten dat zij voor hem ‘had moeten kiezen’.

Verdere achtergrond, toegelicht door Anouk:
In het gezin waarin Anouk opgroeide was vaak commotie, de woorden ‘verraad’ en ‘waar of niet-waar’ vielen nogal eens in verhitte gesprekken. Anouk wordt al haar hele leven door haar moeder, broers en zus aangesproken op loyaliteit. Ze heeft altijd het gevoel dat ze iedereen te vriend moet houden en steeds gedwongen wordt om te kiezen.
Het kerstdiner wordt jaarlijks bij een van de broers/zussen van Anouk gehouden -alleen haar moeder leeft nog- en dit keer werd het bij broer Cees in Bussum gehouden. Toen Cees hoorde dat de kinderen van Herman bij hun moeder waren, die ook in Bussum woont, heeft hij de kinderen gebeld en ze uitgenodigd om te komen. Toen Anouk een week later Herman belde om te informeren hoe zijn vakantie was geweest trof zij een Herman die naar eigen zeggen ‘stuk’ was van het feit dat zijn broer Cees zijn kinderen zomaar uitgenodigd had zónder hem te eerst te bellen. Hij vond het vreemd dat Anouk dat normaal had gevonden. Voor Anouk was dat geen issue geweest, maar juist dát nam Herman haar kwalijk: dat Anouk deze gang van zaken niet vreemd vond en dat Anouk dus kennelijk voor zijn ex-vrouw koos en niet voor hem, Herman.

 

TOEWERKEN NAAR HET CENTRALE MOMENT

Vraagronde: onderscheid feitvragen van normvragen

Na deze korte omschrijving van het voorbeeld stellen de deelnemers (feit) vragen aan Anouk om de details van de gebeurtenis in meer detail voor zich te zien.

Het doel van deze vraagronde is:
– om zoveel details te achterhalen dat iedereen de situatie ‘als een filmpje’ voor zich kan zien, zodat iedereen zich straks in Anouk’s situatie zal kunnen verplaatsen en een eigen standpunt kan formuleren.
– om te achterhalen wat het centrale moment in het voorbeeld is. Dwz. het moment waar het om draait voor beantwoording van de vraag ‘Wanneer moet je loyaal zijn aan de ander?’

In deze vraagfase komt het aan op de socratische houding. Alleen als de vragenstellers géén aannames doen ten aanzien van de feiten (maar doorvragen naar hoe het nou echt zat) krijgen ze zoveel mogelijk relevante informatie boven om zich straks in Anouk’s situatie te verplaatsen. Ik zal hieronder achter de vragen aangeven wanneer de vraag aangepast moest worden:

Vraag: Wat zei Herman precies in dat telefoongesprek? (feitvraag)
Anouk: Dat hij het heel vreemd vond dat ik er niet voor had gezorgd dat Cees eerst Herman belde om te vragen of hij zijn kinderen mocht uitnodigen.
Vraag: Hoe werd kerst met de familie in de voorgaande jaren gevierd? (feitvraag) Anouk: Steeds bij een andere broer of zus thuis. De laatste keer bij Herman.
Vraag: Hoe was jouw relatie met Herman vroeger in het gezin?(feitvraag)
Anouk: Hij was mijn kleine broertje; ik heb veel voor hem gezorgd.
Vraag: Hoe is de relatie tussen Herman en zijn ex-vrouw? (feitvraag)
Anouk: Slecht.
Vraag: Noemde Herman jouw disloyaal in dat telefoongesprek? (feitvraag)
Anouk: Nu je het zegt. Ik kan me niet herinneren dat hij dat woord heeft gebruikt.
Vraag: Wat zei hij dan dat in die richting wees? (feitvraag)
Anouk: Ik voel jouw steun niet. Jij zit in de familie-clan. Jullie zijn nazi’s.
Vraag: Werd je boos? (aanname. dat heeft Anouk niet gezegd)
Vraag geherformuleerd: Wat was jouw reactie daarop?
Anouk: Ik verdedigde me. Ik was het niet met hem eens.
Vraag: Wat dacht je na afloop van het telefoongesprek (feitvraag)
Anouk: Ik ging twijfelen.
Vraag: Voelde je je schuldig? (aaname, Anouk had het woord schuldig niet gebruikt) Vraag geherformuleerd: wat maakte dat je ging twijfelen?
Anouk: Ik vroeg me af of ik hem in de steek had gelaten. Ik was uit het lood geslagen. Ik kon niet meer goed denken.

 

HET CENTRALE MOMENT

(met daarin de verplaatsing van deelnemers in het voorbeeld)
Als centraal moment, te weten het meest geëigende moment om de uitgangsvraag te stellen, kiest Anouk het moment dat zij de telefoon had neergelegd en begon te twijfelen. Aangezien dit een collectieve reflectie is en niet alleen die van Anouk, gaan álle deelnemers zich nu verplaatsen in dit moment om zo tot hun eigen antwoorden op de vraag te komen. Verplaatsen doen de deelnemers in het centrale moment in de schoenen van Anouk maar ‘als zichzelf’: met hun eigen karakter en gewoonten. De volgende vragen worden aan de deelnemers gesteld:

‘Als jij je in Anouk’s situatie zou bevinden, op het centrale moment:

  1. Wat zou jij voelen?
  2. Wat zou jij denken?
  3. Wat zou jij doen?

Na beantwoording van deze vragen -op schrift- en bespreking hiervan, wordt iedereen gevraagd de ‘kardinale deugden’: moed, matigheid, wijsheid en rechtvaardigheid te betrekken in zijn of haar overwegingen en na te gaan of dit nieuwe inzichten ten aanzien van eigen gedrag en beter omgaan met de situatie oplevert.

NB Het inzetten van de kardinale deugden betekent dat deelnemers zich voor elke deugd een specifieke vraag stellen. Voor moed is de vraag bv: “welk ongemak of angst moet jij verdragen om beter om te gaan met de situatie?”. Ik zal hier niet verder op elke deugd ingaan.

Deze exercities leverden voor iedereen extra inzichten op:
Anouk besefte dat zij zelf altijd bezig is geweest met schipperen tussen de gezinsleden om loyaal naar iedereen tegelijk te zijn. Ook besefte zij dat ze daarmee niet altijd loyaal naar zichzelf was én dat ze haar jongere broer nooit had losgelaten om zijn eigen verantwoordelijkheid te gaan nemen. Zo had ieder van de aanwezigen zijn eigen reflectie. Manon kwam via de deugden tot de conclusie dat ze zich tot op heden juist te weinig in haar familieleden verplaatste en dat loyaliteit aan zichzelf voor haar nu betekende dat ze zich in de toekomst juist beter in het standpunt van haar zus wilde verplaatsen. Tanja besefte dat ze voor de verbinding met de ander op termijn wilde kiezen maar dat dat soms haaks kan lijken te staan op loyaliteit op korte termijn.

 

ANTWOORD/ARGUMENTATIE

In deze fase worden de deelnemers gevraagd om hun antwoord op de uitgangsvraag en hun argumentatie daarbij. Dit leidt tot een aantal standpunten/uitspraken die ik noteer op de flip-over:

Uitspraken:

“Loyaliteit naar de ander kan alleen wanneer je daarmee tevens loyaal aan jezelf bent” (want wie is er anders loyaal?)

“Op termijn in verbinding blijven met de ander vraagt soms (schijnbare) disloyaliteit op het moment zelf”

 

DE ESSENTIE

Om tot de essentie van deze collectieve reflectie te komen vroegen de deelnemers zich af: Wat rechtvaardigt onze uitspraken? Als we dit zeggen, wat betekent dat dan voor onze vooronderstelling ten aanzien van loyaliteit aan de ander?
Het antwoord was:

“Loyaal zijn betekent niet altijd dat je moet kiezen”

NB Het volledige gespreksverslag is ingekort om het bovenstaande prettig leesbaar te houden.

www.hetsocratischgesprek.nl