‘Wanneer moet je je familie tegen je zin in uitnodigen voor feesttradities?’ 

Elk jaar rondom de feestdagen staan we voor keuze’s: Wat eten we met kerst? Kopen we grote of kleine kado’s met sinterklaas? Willen we eigenlijk nog aan kado’s doen? Maar ook: met wie gaan we het feest dit jaar vieren? En met wie niet? In de decembermaand voerden we een socratisch gesprek over de vraag: 

‘Wanneer moet je je familie tegen je zin in uitnodigen voor feesttradities?’ 

Hieronder tref je een beschrijving van een socratisch groepsgesprek van ca. anderhalf uur in vijf stappen, gevoerd tijdens een training tot socratisch gespreksleider. Voor de volledigheid eerst nog even de structuur en de regels waaraan een socratisch gesprek moet voldoen. 

Verderop lees je hoe dit gesprek verder verliep. De deelnemers hielden zich aan de volgende socratische gespreksregels:
– Stel je oordeel uit
– Luister nauwkeurig
– Wees concreet/ vraag naar de feiten
– Verdraag het niet-weten
– Stel je empathie uit

En om als groep je oordeel uit te kúnnen stellen, hoort daar ook een structuur bij:

1. De Vraag

 

‘Wanneer moet je je familie tegen je zin in uitnodigen voor feesttradities?’

 

2. De Concretisering

 

Het voorbeeld dat gekozen werd om deze vraag te onderzoeken is van Tom. In het voorbeeld twijfelt Tom of hij zijn schoonouders moet uitnodigen voor sinterklaasavond. 

Onderzoeken van de voorbeeldervaring

In deze stap wordt de voorbeeldervaring onderzocht. De deelnemers stellen (feit)vragen aan de voorbeeldgever om een zo concreet mogelijk beeld te krijgen van de ervaring. 

In deze onderzoeksfase komt het aan op de socratische houding van luisteren en vragenstellen. Het uitstellen van oordelen betekent dat er eerst alleen naar de feiten in het voorliggende voorbeeld moet worden gevraagd (wie, wat waar, wanneer, hoe, wat werd er gedaan, gedacht en gevoeld?) en later ook naar beweegredenen bij die feiten (wat maakte dat iemand dat dacht/deed?).

Vraag: Hoe ziet jullie gezin er uit?

Tom: Mijn vrouw en ik hebben twee kinderen. De jongste is 5 jaar oud en gelooft als enige van het gezin nog in Sinterklaas.

Vraag: Hoe vieren jullie Sinterklaas?

Tom: We vieren het erg uitgebreid: met pakjesavond en een dagactiviteit.  

Vraag: Waren je schoonouders er andere jaren bij?

Tom: Ja. 

Vraag: Wat vind je vervelend aan je schoonouders? 

Interventie van de gespreksleider: Tom heeft niet genoemd dat hij zijn schoonouders vervelend vindt. Kun je opnieuw proberen een concrete vraag te stellen zonder aannames? 

Nieuwe vraag: Hoe verliep de Sinterklaasavond vorig jaar toen je schoonouders er waren? 

Tom: De sfeer was anders. We konden het niet helemaal vieren zoals wij het zelf leuk vinden. Mijn schoonouders bemoeiden zich met hoe de dingen gedaan werden, bijvoorbeeld hoe de pakjes werden uitgepakt of wie er aan de beurt was.

Interventie van de gespreksleider: Tot zover zijn er goede context vragen gesteld. Kunnen we nu opzoek gaan naar een concreet moment waarin er wordt getwijfeld door Tom aan de uitgangsvraag?

Vraag: Wat was het moment dat je eraan twijfelde of je je schoonouders zou uitnodigen? 

Tom: Er zijn veel verschillende momenten. Maar de twijfel was het grootst toen ik met mijn vrouw op de bank zat en mijn schoonmoeder een bericht stuurde. 

Vraag: Wat stond er in dat bericht?

Tom: Zij vroeg of we al wisten hoe we Sinterklaas gingen vieren dit jaar. Eerder hadden we die vraag ook gekregen en gezegd dat we er nog even over na gingen denken. 

Vraag: Wat deed je toen?

Tom: Ik sprak er over met mijn vrouw. Zij zei: ‘Laten we ze niet uitnodigen dit jaar.’ Vervolgens hebben we ze wel uitgenodigd. 

Vraag: Wat voelde je op dat moment?

Tom: Twijfel. En medelijden met mijn schoonouders. Ze bedoelen het goed en beleven erg veel plezier aan de sinterklaasavond. Ook is hun sociale kring verder niet groot. 

Afsluiting van de concretisering

De gespreksleider vraagt aan Tom: Kun je nog een keer het moment noemen waarin de uitgangsvraag voor jou het meest speelde (het hittepunt)?

Tom: Dat was het moment dat ik samen met mijn vrouw op de bank zat. We kregen een bericht van mijn schoonmoeder met de vraag: ‘Hoe vieren jullie dit jaar sinterklaas?’ In reactie op dit bericht zei mijn vrouw dat zij haar ouders niet wilde uitnodigen omdat de beleving van sinterklaasavond verandert in hun aanwezigheid. 

3. De Verplaatsing

 

Tot zover Toms bijdrage als voorbeeldgever. Vanaf hier wordt de uitgangsvraag van iedereen, zodat we gezamenlijk kunnen reflecteren. 

In deze stap verplaatsen de deelnemers zich in het hittepunt. Het hittepunt was hier het moment dat Tom op de bank zit met zijn vrouw en het bericht krijgt van zijn schoonmoeder. Iedere deelnemer wordt gevraagd om – als zichzelf, met zijn eigen karakter- zich te verplaatsen in het moment en op te schrijven wat hij of zij zou voelen, denken en doen. Vervolgens wordt deze verplaatsing plenair gedeeld. 

Voelen

  • Ik zou een dilemma voelen en twijfel.
  • Ik zou medelijden voelen met mijn schoonouders.

Denken

  • Mijn kind gelooft waarschijnlijk nog maar 1 à 2 jaar. We vieren het zoals wij willen en daarna maken we er een familie- in plaats van gezinsfeest van. 
  • Sinterklaas is een kinderfeest.

Doen

  Ik zou ze niet uitnodigen en een andere leuke avond met mijn schoonouders organiseren.

  • Ik zou ze wel uitnodigen.
  • Ik zou het gesprek met mijn schoonouders aangaan en uitleggen hoe wij het graag willen vieren.

4. De Argumentatie

 

Hierna worden de deelnemers gevraagd om een voorlopig antwoord te formuleren op de hoofdvraag, met daarbij een argument. Deze worden van iedereen – ook van Tom – opgevraagd. De gespreksleider noteert de verschillende antwoorden en argumenten op de flip-over.

‘Wanneer moet je je familie tegen je zin in uitnodigen voor feesttradities?’

Antwoord deelnemer 1: Wanneer je waarde hecht aan het bijeen houden van familiebanden,

Argument: want feesttradities zijn per definitie iets waar je je familie voor uitnodigt. Niet uitnodigen zal de familiebanden schaden en frictie veroorzaken. 

Antwoord deelnemer 2: Wanneer de beleving van de kinderen er niet onder lijdt,

Argument: want de beleving van de kinderen is belangrijker dan dat van mijn schoonouders in dit geval.

Antwoord deelnemer 3: Wanneer de aanwezigheid van genodigde familie niet negatief bepalend is voor het feest, 

Argument: want wanneer jij de avond organiseert bepaal jij wie er wordt uitgenodigd en hoe de avond wordt gevierd. 

Antwoord deelnemer 4: Wanneer de waarden van de traditie dat vereisen,

Argument: want de traditie van sinterklaas wordt niet noodzakelijk met familie gevierd. Wat maakt dat familieleden zich ook minder buitengesloten zullen voelen dan bijvoorbeeld met kerstmis. 

De gespreksleider kan nu op verschillende manieren het gesprek verder begeleiden. Bijvoorbeeld door de antwoorden en argumenten te laten vergelijken. Wat zijn de verschillen of overeenkomsten? In het gesprek hierover worden vaak onderliggende overtuigingen zichtbaar.

Er ontstaat een gesprek over de waarden van een traditie. Is de waarde inherent aan een feest of varieert dat? Moet je uitgaan van de waarde die jij zelf aan een traditie hecht of je inleven in de situatie en waarde die de ander (de eventueel genodigde) aanhoudt? 

Het gaat allemaal om waarden en betekenis. Ofwel laat je de waarde van familiebanden en tradities zwaarder wegen, ofwel laat je de waarde van een feest zoals jij het met jouw gezin wilt beleven zwaarder wegen. De waarde van de verschillende zaken veranderen ook door de tijd. Je moet steeds opnieuw wegen en alles in beschouwing nemen, ook waar anderen waarde aan hechten. Dat moet je dan wel duidelijk krijgen.

5. De Essentie

 

In de laatste fase worden de deelnemers gevraagd de essentie van dit gesprek te benoemen. Afhankelijk van de aard van het gesprek stel je als gespreksleider hiervoor verschillende vragen. Die vragen kunnen zijn: 

‘Kun je een regel of een principe formuleren dat je hier zou willen hanteren?’

Of ‘Wat gaat je hierin het meest aan het hart?’ 

Of ‘Tot welk inzicht ben je gekomen in dit gesprek?’

De verschillende inzichten zijn:

  • Dat het belangrijk is om inzicht te hebben in de waarde die de ander aan een traditie stelt voor het wel of niet uitnodigen van familie.
  • Dat de waarden van een traditie variërend zijn: van persoon tot persoon, maar ook door een fase waar mensen inzitten. 
  • De essentie van het feest duidelijk hebben is noodzakelijk voor wie er wel en niet wordt uitgenodigd. 

Tiare van Paridon, december 2022, www.hetsocratischgesprek.nl