Socratisch gespreksverslag : Mag je een collega aanspreken op vermeend grensoverschrijdend gedrag?

1.DE VRAAG

In een socratisch gesprek gaan we niet meteen meningen uitwisselen maar stemmen we eerst af waar we het over gaan hebben. Dit proberen we in één centrale vraag te vatten. De vraag was: ‘Mag je een collega aanspreken op vermeend grensoverschrijdend gedrag?’

2.CONCRETISEREN

Om ons oordeel uit te stellen willen we eerst vragen stellen over een concrete situatie waarin de vraag voor iemand speelde. Daarom vragen we iemand van de deelnemers om een voorbeeldervaring bij de vraag: 

‘Wie heeft er een concrete ervaring waarin deze vraag speelde?’

Het voorbeeld kwam van Johan. Hij heeft een vrouwelijke collega van achter in de dertig (Hilde) die verliefd was geworden op een stagiair van begin twintig (Mark), waarvan zij de stagebegeleider was. Op een gegeven moment vertelde Hilde het hele verhaal aan Johan. Johan vroeg zich af of hij alleen zou luisteren of dat hij mocht zeggen wat hij ervan dacht?

Hieronder worden vragen gesteld door de deelnemers aan Johan om de feiten van de situatie te kennen, alvorens zich erin te verplaatsen en vervolgens de hoofdvraag te beantwoorden. Het is belangrijk dat niet al meteen meningen of analyses naar voren worden gebracht. Daarom ook moeten de vragen in de verleden tijd worden gesteld. Het doel van deze eerste fase is een beeld te krijgen van de situatie waarin de vraag speelde en van het hittepunt: het specifieke moment waar het om draaide gezien de uitgangsvraag. 

De gespreksleider let erop dat de deelnemers zich aan deze regels houden. Ik zal hieronder aangeven wanneer en hoe de gespreksleider intervenieerde.

De vragen die door de deelnemers gesteld werden aan Johan waren: 

Vraag: Hoe lang wist je het al? 

Johan: Lange tijd had ik alleen een vermoeden vanwege de manier waarop die twee soms bij elkaar stonden en wat ze samen deden. 

Vraag: Hoe is je relatie met Hilde? 

Johan: We kunnen als collega’s heel goed met elkaar opschieten.

Vraag: Heb je eerder vragen gesteld aan Hilde toen je een vermoeden van die verliefdheid had?

Johan: Nee, achteraf bleek dat andere collega’s ook een vermoeden hadden maar we hebben er nooit met elkaar over gesproken. 

Vraag: Zijn hier regels voor bij jullie? (goede vraag) 

Johan: Nee, er staat nergens dat dit verboden is. 

Vraag: Hoe ben je het te weten gekomen? 

Johan: Op een gegeven moment, na vijf maanden ofzo, was het ineens bekend. Hilde was naar onze leidinggevende gegaan en had het verhaal verteld omdat ze wilde weten of het wel oké was, een relatie met een stagiair. 

Vraag: En? 

Johan: De leidinggevende had haar de zegen gegeven. Dit mocht gewoon volgens hem. 

Vraag: Wat is dan het probleem? 

Interventie: Blijf nog even in de verleden tijd, anders gaan we nu al analyseren. 

Vraag: En toen? (goede vraag)

Johan: Hilde kwam laatst naar me toe en heeft wel anderhalf uur zitten vertellen over wat er allemaal gebeurd was. Ze heeft ook andere collega’s op dezelfde manier het hele verhaal verteld. 

Vraag: Ken je die stagiair? 

Johan: Ja, hij heeft ook voor mij gewerkt. Het is een hele zachte jongen.

Vraag: Was er iets gebeurd tussen hun? 

Johan: Nee

Vraag: Wat is dan het probleem?

Interventie: Probeer nog even in de verleden tijd te blijven.

Vraag: Heb je toen gezegd wat je ervan vond?

Johan: Nee, ik heb alleen vragen gesteld.

Vraag: En was er een moment dat je je collega hier op aan had willen spreken? (Goede vraag. Vraag naar het hittepunt) 

Johan: Dat kwam achteraf pas. In het gesprek zelf wilde ik vooral niet oordelen. Maar ik had er toch een vervelend gevoel aan over gehouden. 

Vraag: Wat maakte dat je een vervelend gevoel had? 

Johan: Sinds Hilde haar verliefdheid opgebiecht had, was Mark bijna nooit meer op

kantoor. We hoorden ook dat hij boos op haar was. Ik realiseerde me dat Mark in een 

ongemakkelijke positie terecht was gekomen. Hij moest z’n stage nog afmaken en een beoordeling van Hilde krijgen.

Vraag: Waarom heb je er later niets van gezegd? 

Johan: Ik vroeg me af of ik ouderwets was. Moet ik niet meer open minded zijn? 

Ter afronding van de onderzoeksfase van het gesprek checkt de gespreksleider bij de voorbeeldgever het hittepunt: 

Vraag: Johan, kun je nog eens zeggen wat nu het moment was waar het om draaide gezien jouw vraag ‘ Mag je een collega aanspreken op vermeend grensoverschrijdend gedrag?’ 

Johan: Misschien nog niet tijdens dat gesprek met Hilde, maar later toen ik me realiseerde dat Mark het hierdoor misschien moeilijk had.

Op dit punt in het gesprek kan de gespreksleider nog feitvragen stellen als hij/zij nog iets mist. In dit geval vroeg de gespreksleider: 

Vraag: In je hoofdvraag heb je het over een ‘grensoverschrijdend gedrag’. Welke grensoverschrijding speelde er voor jou in deze situatie? 

Johan: De machtsverhouding die maakte dat Mark misschien niet duidelijk durfde te zijn naar Hilde.

3. VERPLAATSEN 

Tot zover Johan’s bijdrage als voorbeeldgever. 

Vanaf hier verplaatsen de deelnemers zich in de situatie en wordt de uitgangsvraag en de casus van iedereen, zodat we allemaal kunnen reflecteren. Het is niet de bedoeling Johan advies te geven. Allen verplaatsen zich – als zichzelf – in het hittepunt.

Aan de deelnemers -met uitzondering van de voorbeeldgever-  wordt nu gevraagd:

Als jij je in Johan’s situatie zou bevinden, in het hittepunt:

1. Wat zou jij voelen?

2. Wat zou jij denken?

3. Wat zou jij doen?

Schrijf je antwoorden op een vel papier.

Dit waren de antwoorden: 

Voelen: Geïrriteerd, boos, verontwaardigd, verbaasd, mededogen, medelijden. 

Denken: Ik had toch gelijk, dit gaat mij niet aan, vervelend voor Hilde, arme stagiair 

Doen: Niets, naar de leidinggevende stappen, mededogen tonen, medeleven met Hilde, zeggen dat ze moet wachten tot de stage voorbij is.

4. ARGUMENTEREN

De deelnemers worden nu gevraagd om een voorlopig antwoord te geven op de hoofdvraag: ‘Mag je een collega aanspreken op vermeend grensoverschrijdend gedrag?’ Bovendien worden ze gevraagd in hun argumenten dicht bij de voorbeeldsituatie te blijven. Een argument begint vaak met ’want’. De gespreksleider noteert een aantal antwoorden op flip-over.

De volgende antwoorden en argumenten worden genoteerd: 

Antwoord: Nee

Argument: want formeel doet de collega niets fout 

Antwoord: Nee

Argument: want mijn mening maakt nu toch niets meer uit. Ze heeft het al met iedereen gedeeld. Er wordt niets in het verborgene gedaan.

Antwoord: Ja

Argument: want er is sprake van een machtsrelatie tussen Hilde en Mark. Mark zit mogelijk in een moeilijke situatie. Hilde moet dat beseffen. Ze zou een oplossing kunnen zoeken voor de mogelijke druk die dat op Mark geeft. 

Antwoord: Nee

Argument: want het gaat mij niet aan.

Antwoord: Nee, alleen mijn medeleven tonen

Argument: Want dit is privé en iemand die ik goed ken vraagt mij om mee te leven. 

Antwoord: Ja, 

Argument: want het gaat mij aan omdat Hilde mij het hele verhaal heeft verteld. Dat maakt dat ik mijn mening erover kan geven. Ik wil ook het belang van de stagiair in het oog houden. 

In deze fase van het gesprek begeleidt de gespreksleider de groep met verdiepen van het gesprek door antwoorden te laten vergelijken, door deelnemers uit te nodigen elkaar te bevragen op de antwoorden en argumenten en door naar onderliggende overtuigingen te vragen die onder hetgeen liggen dat er gezegd wordt. De volgorde en volledigheid waarmee dit gebeurt is niet op voorhand aan te geven. Als gespreksleider moet je gevoeligheid ontwikkelen voor welke uitspraken / welke gebruikte woorden van de deelnemers het gesprek verder kunnen nuanceren en verdiepen. Deze uitspraken en woorden geef je terug aan de groep en je vraagt de deelnemers daarover met elkaar in gesprek te gaan. 

De gespreksleider vraagt nu:

We hebben mensen die nee zeggen en die ja zeggen. Kunnen jullie bespreken met elkaar wat de onderliggende overtuigingen zijn bij deze verschillende standpunten? 

In deze dialoog komen de aanwezigen erachter dat sommigen nog niet de focus hadden op de kern van de vraag: Mag je aanspreken of niet. (De eerdere antwoorden hadden meer hun zwaartepunt in of het nu toegestaan was dat Hilde en Mark een relatie zouden hebben of niet.)

Wanneer spreek je aan? Dat blijkt samen te hangen met of je denkt dat je er als collega iets mee te maken hebt of niet. En ook het verschil tussen of je er formeel of informeel mee te maken hebt is relevant. 

Hierop ontstond een dialoog tussen de deelnemers. Het ging heen en weer tussen het concrete voorbeeld en de overtuigingen van de deelnemers. De gespreksleider let op dat de hoofdvraag in beeld blijft. Twee standpunten kwam duidelijk tegenover elkaar te staan: 

Standpunt 1: Je moet je collega wijzen op het belang van een professionele houding. Dat heeft met het werk te maken en raakt dus ook jouw eigen werk. 

Standpunt 2: Er zijn geen regels dus hoe kun je je collega aanspreken? Je kunt alleen meeleven, of niets zeggen.

De gespreksleider vraagt nu of de aanwezigen over deze twee standpunten in gesprek willen gaan. Wat zijn de verschillen en de overeenkomsten? 

De kwetsbare positie van de stagiair werd nu onderwerp van gesprek. Hierdoor kwam het inzicht dat juist als er geen regels zijn om iemand te beschermen de ongeschreven regels ten aanzien van grensoverschrijdend gedrag door omstanders  gehandhaaft moeten worden. Aanspreken op gedrag is dan wel het minste dat je kunt doen als collega(s). 

Langzaam maar zeker waren alle aanwezigen het er wel over eens dat het hier om impliciete normen ging en dat openheid daarover best mag. Je kunt een collega niet dwingen zijn of haar gedrag te veranderen, maar hem/haar wel bewust maken van datgene waar hij/zij blind voor is en dat dat een ander kan schaden. 

5. DE ESSENTIE

De gespreksleider vraagt de aanwezigen of ze met elkaar tot een uitspraak/ een regel kunnen komen ten aanzien van deze vraag en kwestie.

Uiteindelijk vonden de deelnemers elkaar in het inzicht dat het hier om het bewaken van de professionele integriteit gaat. Dat Hilde zo handelt is voor iedereen ongemakkelijk, voor de stagiair, maar ook voor de collega’s. Kortom: 

Als een collega de professionele integriteit schendt mag je hem of haar daar op aanspreken, ook al zondigt iemand niet officieel tegen de regels. 

December 2024, www.hetsocratischgesprek.nl

Scroll naar boven