Socratisch gesprek: ‘Waar begint stigmatisering?’

Hieronder tref je een beschrijving van een socratisch groepsgesprek van ca. anderhalf uur in vijf stappen, gevoerd op verzoek van StigMAG Amsterdam. Voor de volledigheid eerst nog even de structuur en de regels waaraan een socratisch gesprek moet voldoen:

 

STRUCTUUR:

 

 

REGELS:

 

(dit zijn tevens een aantal van de belangrijke socratische vaardigheden)

– Stel je oordeel uit

– Luister nauwkeurig

– Wees concreet/ vraag naar de feiten

– Denk zelf, verlaat je niet op kennis of autoriteit van anderen

– Verdraag het niet-weten

– Stel je empathie uit

– Gebruik in je vraag de wo

 

1.DE VRAAG

Ter afsluiting van het vijfjarige project StigMAG voerden we een socratisch gesprek over de vraag

‘Waar begint stigmatisering?’

 

2. CONCRETISERING

Het voorbeeld dat werd gekozen was van Hannah. Hannah groeide op in de jaren zestig in de buurt van de Wallen. Deze buurt stond toentertijd bekend als een ‘verkeerde buurt’. Zij zat op een basisschool in een andere buurt, waar zij de enige was uit het Wallengebied, met als gevolg dat kinderen niet bij haar thuis wilden spelen, zij werd gepest en de kinderen ervan uitgingen dat Hannah’s moeder werkte in de prostitutie. 

Onderzoeken van het voorbeeld

Na de korte omschrijving van het voorbeeld stellen de deelnemers (feit)vragen aan Hannah. Het is de bedoeling dat de vragenstellers een zo duidelijk mogelijk beeld krijgen van de ervaring van Hannah zodat zij zich zelf in deze situatie kunnen verplaatsen. 

In de eerste fase van het gesprek komt het aan op de socratische houding van luisteren en vragenstellen. Het uitstellen van oordelen betekent dat er eerst alleen naar de feiten in het voorliggende voorbeeld moet worden gevraagd (wie, wat waar, wanneer, hoe, wat werd er gedaan, gedacht en gevoeld?) en later ook naar beweegredenen bij die feiten (wat maakte dat iemand dat dacht/deed?).

Vraag: Je noemt de buurt waar je opgroeide een ‘verkeerde buurt’. Wat was er verkeerd aan? 

Hannah: Het was een onveilige buurt. Er was veel drugs criminaliteit en het was er niet veilig voor buitenstaanders.

Vraag: Hoe dacht jij zelf over de buurt? 

Hannah: Ik vond het normaal en was er mee opgevoed dat die vrouwen achter de ramen werkten. Voor mij was dit iets positiefs want ik kon veilig in de buurt lopen.

Vraag: Wanneer was dit?

Hannah: Begin jaren 70. Ik ging toen naar de lagere school en was een jaar of zes.

Vraag: Wat deden je ouders voor werk?

Hannah: Ze hadden een horecazaak in de buurt waar we woonden. 

Vraag: Vertelde je aan de kinderen op school wat je ouders deden voor werk? 

Hannah: Ja dat deed ik, maar dat geloofden ze niet.

Vraag: Zaten er andere kinderen uit jouw buurt op school?

Hannah: Nee, ik was de enige.

Vraag: Speelden er kinderen van school bij jou thuis?

Hannah: Nee, alleen kinderen uit de buurt. 

Vraag: Kun je het moment noemen dat deze vraag voor jou het meeste speelde?

Hannah: De kinderen zongen bijna elke dag teksten over mijn moeder achter de ramen. Er was een dag dat ik werd ingesloten door een kring van dertig kinderen op het schoolplein. Iedereen begon te duwen en te zingen dat mijn moeder een hoer was.

Vraag: En waar haalden de kinderen die informatie vandaan over de buurt en je moeder?

Hannah: Ik denk dat ze dat meekregen vanuit huis. 

Vraag: Wat gebeurde er met jou op het moment dat je ingesloten werd?

Hannah: Ik was bang. En ook boos dat mijn moeder zo werd afgeschilderd. Later die avond kwam het verdriet. 

Vraag: Wat deed je toen?

Hannah: De schoolbel ging. Iedereen ging naar binnen toe en de les in. 

Vraag: Wat dacht je toen? 

Hannah: Het had als gevolg dat ik niet meer zo makkelijk vertelde uit welke buurt ik kwam.

Vraag: Waarom vertelde je dat niet?

Hannah: Omdat ik dan weer een oordeel kreeg en weer werd gepest.

Vraag: En wat gebeurde er daarna?

Hannah: Ik werd opstandig van de opmerkingen. Eerst was ik bang en de keren daarna ging ik van me af slaan. De kinderen durfden het niet meer recht in mijn gezicht te zeggen maar ik merkte dat er gepraat werd. 

 

3. VERPLAATSING

Tot zover Hannah’s bijdrage als voorbeeldgever. Vanaf hier verplaatsen de deelnemers zich in de situatie en wordt de uitgangsvraag van iedereen, zodat we hierna gezamenlijk kunnen reflecteren. Allen verplaatsen zich -als zichzelf, met hun eigen karakter- in het ‘hittepunt’. Het hittepunt is een moment binnen het voorbeeld waarop de uitgangsvraag voor de voorbeeldgever sterk speelde. Het hittepunt was hier het moment dat de kinderen om Hannah heen stonden en zongen ‘Je moeder is een hoer’.

Aan de deelnemers -met uitzondering van de voorbeeldgever- wordt nu gevraagd:

Als jij je in Hannah’s situatie zou bevinden, in het hittepunt:

  1. Wat zou jij voelen?
  2. Wat zou jij denken?
  3. Wat zou jij doen?

Schrijf je antwoorden op een vel papier.

Voelen:

Alleen, onmachtig, eenzaam, onveilig, angst en paniek. 

Denken: 

Ik woon in een slechter stuk stad. Het is onoverbrugbaar, het zijn twee verschillende werelden.

Ik zou niets denken en teveel in mijn angst zitten.

Er is iets mis met mij. 

Doen: 

Er niet over vertellen, mij anders voordoen en de aandacht afleiden van mijzelf.

Bevriezen en niets doen.

Huilen, mij klein maken, wegrennen en vluchten. 

 

4. ARGUMENTATIE

Hierna worden de deelnemers gevraagd om een voorlopig antwoord te formuleren op de hoofdvraag. Deze worden van iedereen – ook van Hannah opgevraagd. De gespreksleider noteert op de flip-over alleen de uitspraken die met elkaar contrasteren en vraagt daarop door. Later vraagt de gespreksleider ook naar de argumentatie bij de antwoorden. De argumenten moeten in eerste instantie aansluiten bij de feiten uit de voorbeeldsituatie, om te voorkomen dat de deelnemers gaan argumenteren met ‘algemeen geaccepteerde meningen’ en het gesprek oppervlakkig wordt.

Hieronder worden de voorlopige antwoorden genoemd op de vraag met daarbij de feiten die als argument voor het antwoord werden gebruikt:

Luc: Stigmatisering begint bij zelf een invulling geven aan een beeld dat je van de ander krijgt.

Het gaat over ‘vervolg geven’ aan een beeld. In dit geval begint het al bij daar waar je geboren wordt.

Feiten: Stigmatisering begint hier bij de associatie die het Wallengebied oproept. Het beeld van die buurt roept het vervolg op dat Hannah’s moeder een hoer zou zijn. Dit heeft ze niet gezegd, maar maken de kinderen er zelf van. 

Yaku: Stigmatisering begint bij het moment dat je als anders wordt betiteld. Vanuit daar word je als anders gezien, als minderwaardig, en anders behandeld. 

Feiten: In de eerste jaren van de lagere school wordt Hannah als anders gezien omdat zij uit een andere buurt komt. Om deze reden wordt zij ook anders behandeld: kinderen pesten haar en niemand wilt bij haar spelen. 

Laura: Stigmatisering begint bij de opvoeding van je kind. Als ouders iets veroordelen gaan kinderen dat ook veroordelen. 

Feiten: Uit de casus blijkt dat het beeld dat de kinderen hebben over het Wallengebied en Hannah en haar moeder vanuit huis wordt mee gegeven. Die ouders zeggen ‘daar mag je niet spelen’.

Maui: Stigmatisering begint al jong. Als kinderen geloven dat een ander minderwaardig is. 

Feit: Ze geloven dat Claudia’s moeder een hoer is en dat werd in ieder geval in die tijd als minderwaardig gezien.

Er ontstaat een gesprek over de uitspraak dat stigmatisering begint bij de opvoeding. Het volgende wordt gezegd:

Er zijn ook voorbeelden van stigmatisering die niet vanuit ouders worden meegegeven. ‘Het is niet altijd iets wat je ingefluisterd krijgt. Wanneer je jong bent heeft stigmatisering vaak iets magisch. Het doet er niet toe waar het idee vandaan komt. Het is iets wat je graag gelooft en aan mee doet. Zo ook in deze casus is het beeld dat de moeder van Hannah een hoer is niet gebaseerd op de realiteit’. 

Vervolgens gaat het gesprek over of het er toe doet voor stigmatisering of iets waar is of niet. Er wordt gezegd dat dat het verschil maakt tussen pesten en stigmatisering. Bij pesten roep je mee met de groep. Dit is collectief pestgedrag. Als je vanuit daar ook echt gaat denken dat iets zo is, ‘dit kind is minderwaardig’, dat is waar stigmatisering begint. Het verschil tussen iets zeggen of ook echt denken. Daarnaast lijkt het er niet toe te doen of datgene ook echt waar is of niet. 

Vervolgens vraagt de groep zich af of het in dit voorbeeld niet over pesten gaat? ‘Stigmatisering is een groot woord maar het is hier wel op zijn plaats. Omdat het waardeoordeel dat uitgesproken wordt eigenlijk nog steeds zijn werk doet. Men heeft nog steeds een beeld van dat Wallengebied. 

Het roept associaties op en waardeoordelen. Het was toen en nu, ze zeggen hetzelfde. Dat is kenmerkend voor stigmatisering – het blijft bestaan. Daaruit kan ook worden bevestigd dat stigmatisering iets is wat los staat van de realiteit.’

Tot slot werd er gepraat over de vraag of stigmatisering bij jezelf of bij de ander begint. Hannah realiseert zich dat iedereen de neiging heeft om alles ‘in categorieën te verdelen’ en ook zichzelf in een bepaalde categorie te plaatsen. ‘Mensen die gestigmatiseerd worden om hun anders zijn, verwachten ook vaak een oordeel van anderen. Misschien zijn er zelf alerter op.’

 

5. ESSENTIE

Ter afsluiting werden deelnemers gevraagd de essentie van dit gesprek te benoemen. Afhankelijk van de aard van het gesprek stel je hiervoor verschillende vragen. Die vragen kunnen zijn:

‘Kun je een regel/ een principe formuleren dat je hier zou willen hanteren?’

of

‘Wat gaat je hierin het meest aan het hart?’

Op basis van uitspraken hierover kwam de groep tot de volgende inzichten: 

Stigmatisering lijkt vrijwel nooit met ‘de werkelijkheid’ te maken te hebben. Er ontstaat, vaak al in iemands jeugd, een beeld van stigma dat gebaseerd is op ongefundeerde verhalen van beïnvloeders zoals ouders en vriendengroepen. Zo’n ongefundeerd verhaal wordt graag overgenomen omdat het ‘iets magisch’ heeft. De gestigmatiseerde wordt als ‘minderwaardig’ bestempeld. Het is bijna fijn eraan mee te doen in de groep waartoe je behoort. Het verschil met pesten is dat het verhaal heel taai is, blijft kleven. Het wordt ook later niet door de werkelijkheid gecorrigeerd. Mogelijk dragen de gestigmatiseerden zelf bij aan het wegnemen van het stigma, omdat zij, wellicht door ermee opgegroeid te zijn, zelf ook moeilijk loskomen van het indelen van de maatschappij in groepen. 

Tiare van Paridon, 22 december 2021, www.hetsocratischgesprek.nl