Socratisch gesprek: In hoeverre moet je geven als je niet hetzelfde terug ontvangt?

Hieronder tref je een beschrijving van een socratisch groepsgesprek van ca. anderhalf uur in vijf stappen. Voor de volledigheid eerst nog even de regels waaraan een socratisch gesprek moet voldoen:

– Stel je oordeel uit

– Luister nauwkeurig

– Wees concreet/ vraag naar de feiten

– Verdraag het niet-weten

– Stel je empathie uit

– Gebruik in je vraag de woorden van de ander

 

1. DE VRAAG

In een socratisch gesprek gaan we niet meteen meningen uitwisselen maar bespreken we eerst met elkaar waar we het over gaan hebben en proberen dit in één centrale vraag te vatten.

De vraag was: ‘In hoeverre moet je geven als je niet hetzelfde terug ontvangt?’

 

2. CONCRETISEREN

Om ons oordeel uit te stellen willen we eerst vragen stellen over wat feitelijk het geval is en niet meteen abstract worden. Daarom vragen we iemand van de deelnemers om een voorbeeldervaring bij de vraag: ‘Wie heeft er een concrete ervaring waarin deze vraag speelde?’

Het voorbeeld kwam van Harriët. Zij heeft de gewoonte om familie die op bezoek komt goed te ontvangen. Ze zorgt dat er de lekkerste dingen in huis zijn. Als er iemand blijft eten of als er een verjaardagsfeestje te vieren is voor haar of haar kinderen dan doet ze boodschappen bij kwaliteitswinkels. Er is altijd veel. Zij en haar broer en zus zijn ermee opgevoed dat je je best moet doen voor je gasten. Nu valt het haar al jaren op dat haar broer en zijn vrouw haar gastvrijheid niet op dezelfde manier beantwoorden, Ze vraagt zich af of ze de gulheid waarmee ze hen benadert wil veranderen, omdat er van hun kant zo weinig terugkomt.

De aanwezigen worden nu gevraagd vragen te stellen aan Harriët om ieder voor zich een duidelijk beeld van de situatie te krijgen. De volgende vragen werden gesteld: 

Vragen:

Vraag: Kun je details geven? Wat doe je dan als er familie op bezoek komt? 

Harriët: Dan ga ik mijn best doen voor hun. Dan zorg ik voor kwaliteit. 

Vraag: Wat bedoel je in dit geval met kwaliteit, kun je een voorbeeld geven?

Harriët: Ik ga naar goede winkels, de slager, de kaaszaak. Ik zorg dat ik dingen in huis heb waarvan ik weet dat mensen dat lekker vinden.  

Vraag: Wat is er anders bij je broer? 

Harriët: Als we bij hun op een verjaardag komen dan zijn er pizza’s of voorgebakken pannenkoeken van Albert Heyn, zelfs vaak met de korting sticker er nog op. Laatst op een verjaardag zei mijn schoonzus: ‘We doen het maar even zo, want er gaat anders zo veel de prullenbak in. Maar er was veel te weinig. 

Vraag: Hoe ziet je familie er verder uit?

Harriët: Moeder, vader, 1 zus en 1 broer en iedereen heeft kinderen

Vraag: Kan je broer of schoonzus goed koken? Hoe eten ze normaal? 

Harriet: Mijn broer kan niet goed koken. Ik weet van een vriendin die wel eens bij hun eet dat mijn schoonzus ook echt wel een lekkere maaltijd op tafel kan zetten. 

Vraag: Hoe is de verstandhouding verder? Doen ze wel vriendelijk? 

Harriët: Ja, heel hartelijk. Maar ze houden bijvoorbeeld geen rekening met mijn gluten intolerantie. Ik kan vaak niet veel eten van wat ze ons voorzetten maar het lijkt of mijn schoonzus het elke keer is vergeten. 

Vraag: Heb je het er weleens met iemand anders over? 

Harriët: Ja met mijn zus. Zij heeft dezelfde ervaring met onze schoonzus en broer. 

Gespreksleider. Ik wil jullie vragen je zo dadelijk allemaal te verplaatsen in de situatie van Harriët en jezelf af te vragen wat jij zou voelen, denken, doen in deze situatie. Daartoe willen we inzoemen op één specifieke voorbeeldsituatie waarin de vraag van Harriet speelde. Zouden jullie daarom vragen kunnen stellen aan Harriët om één situatie in beeld te krijgen?

Vraag: Maar daar hebben we het toch over?

Gespreksleider: We hebben het over deze gang van zaken in z’n algemeenheid, maar we hebben het nog niet over één voorbeeldsituatie. 

Vraag: Kun je een moment noemen dat je dacht ‘zal ik mijn gedrag dan maar veranderen, als er zo weinig terugkomt?”

Harriët: Ja, ik heb het zelfs gedaan. Een keer toen ze kwamen eten heb ik een zak friet gehaald.

Vraag: En? 

Harriët: Niets, het was goed. Het was gezellig en er waren geen rare opmerkingen. Iedereen vond het lekker en had genoeg te eten gehad. 

Vraag: En wat is dan een moment dat die vraag ‘In hoeverre moet je geven, als je niet hetzelfde ontvangt?’,  je het meest bezighield? 

Antwoord: Dat was toen er op de familie app een foto van m’n schoonzus verscheen van een mooie visschotel met de opmerking. Dit visje van Smit ( een hele goede visboer) zojuist klaargemaakt want we krijgen ‘die en die’ ( goede vrienden van hun) te eten. 

Vraag: Wat voelde je toen je dat appje las? 

Antwoord: ik voelde me minderwaardig. Wij krijgen nooit een lekkere ovenschotel.

Vraag: En wat dacht je? 

Antwoord: Ik dacht, zijn wij dan minder waard dat wij nooit zo’n visschotel krijgen? 

Vraag: Kun je dat uitleggen? 

Antwoord: Wij zijn Brabanders. Het is in onze familie vanzelfsprekend dat je echt je best doet voor je gasten. Dat zij dat niet doen voor ons doen maar wel voor vrienden steekt. Ik heb ook wel eens begrepen dat mijn schoonzus voor haar eigen familie ook uitpakt. 

Vraag: Is je zus schoonzus ook Brabants? 

Harriët: Nee, ze wonen in Den Haag en daar komt ze ook vandaan. 

Vraag: Maakt het wat uit of ze het voor anderen wel doet?

Antwoord: Ja, want nu lijkt het een bewust gebaar om iets minimaals te doen naar ons toe. 

Gespreksleider: ik wil jullie zo vragen je te verplaatsen in de schoenen van Harriët in deze situatie. Daarvoor wil ik graag nog een keer het hittepunt checken. Harriët, wat was nou het moment dat het het meeste schuurde als het over die vraag van jou gaat? 

Antwoord: Toen ik dat appje van m’n schoonzus las.

 

3. VERPLAATSEN

Vanaf hier verplaatsen de deelnemers zich in de situatie en wordt de uitgangsvraag en de casus van iedereen, zodat we allemaal kunnen reflecteren. Het is niet de bedoeling Harriët advies te geven. Allen verplaatsen zich -als zichzelf – in het hittepunt.

Aan de deelnemers -met uitzondering van de voorbeeldgever-  wordt nu gevraagd:

Als jij je in Harriët’s situatie zou bevinden, in het hittepunt:

1. Wat zou jij voelen?

2. Wat zou jij denken?

3. Wat zou jij doen?

Schrijf je antwoorden op een vel papier.

Dit waren de antwoorden: 

Voelen: 

Teleurgesteld, jaloezie, verwonderd, boos, niet gezien, ik voel niets, blij.

Gekwetst, het doet pijn.  

Denken: 

Ben ik niets waard in haar ogen? 

Wil ze mij bewust denigreren?

Ze kan het dus wel.

Fijn dat ze het wel kan. 

Ze vindt het dus ook belangrijk. 

Doen: 

Bespreken met m’n zus, maar niet met m’n broer. 

De eerstvolgende keer vragen of wij ook een keer een ovenschotel krijgen. 

Blijven geven zoals ik dat altijd doe. Met andere familieleden maar niet met m’n broer bespreken. 

Haar een fijne avond met de vrienden toewensen op de app. En de volgende keer een boekje van Seneca cadeau geven over de kunst van het geven. En ruimhartig blijven geven. 

Verwachtingen bespreken met m’n broer en schoonzus. 

 

4. ARGUMENTEREN

Om niet in een oplossingsgericht gesprek te verzanden worden de deelnemers nu gevraagd om een voorlopig antwoord te geven op de hoofdvraag: ‘In hoeverre moet je geven, als je niet hetzelfde ontvangt?’ Bovendien worden ze gevraagd in hun argumenten dicht bij de voorbeeldsituatie te blijven. De gespreksleider noteert een aantal antwoorden op flip-over.

De volgende antwoorden en argumenten worden genoteerd: 

Antwoord: Volledig blijven geven. 

Argument: Want geven doe je niet om wat je ervoor terugkrijgt. 

Antwoord: Ik zou het eerst uitzoeken, willen begrijpen. Misschien moet ik mijn geven wel aanpassen omdat het ongemakkelijk voor de ander is dat ik zoveel geef. 

Argument: De verhouding tussen geven en nemen is mede afhankelijk van ieders mogelijkheid om te geven.

Antwoord: Het moet goed voelen, in balans zijn. Het gaat er niet om dat ik niet wil geven maar om de waarden die eraan gekoppeld zijn.

Argument: Als het een terugkerend patroon is zoals hier dan ga je er betekenis aan hechten. Dan krijgt het materiële ineens immateriële betekenis. 

Antwoord: Niets veranderen.

Argument: Want ik voel er niets bij.

In deze fase van het gesprek begeleidt de gespreksleider de groep met verdiepen van het gesprek door antwoorden te laten vergelijken, door deelnemers uit te nodigen elkaar te bevragen op de antwoorden en argumenten en door naar onderliggende overtuigingen te vragen die onder hetgeen liggen dat er gezegd wordt. De volgorde en volledigheid waarmee dit gebeurt is niet op voorhand aan te geven. Als gespreksleider moet je gevoeligheid ontwikkelen voor welke uitspraken / welke gebruikte woorden van de deelnemers het gesprek verder kunnen nuanceren en verdiepen. Deze uitspraken en woorden geef je terug aan de groep en je vraagt de deelnemers daarover met elkaar in gesprek te gaan. 

De gespreksleider vraagt nu:

Welke verschillen zien jullie tussen de antwoorden die gegeven zijn? 

Antwoorden uit de groep:

– Bij de één is het situationeel: afhankelijk van de mogelijkheden van de ander.

– Bij de ander gaat het om het eigen gevoel dat je mag blijven volgen.

– De meesten hebben wel problemen met de onbalans, maar sommigen niet. Die laatsten voelen zich niet beledigd maar zoeken geen of andere verklaringen voor dit gedrag.

En wat zijn de overeenkomsten? 

– Het materiële verschil lijkt invloed te hebben op een verschil in het immateriële: de waarde/ waardering die daaruit spreekt. 

– Bij niemand gaat het erom dat je niet wilt geven, maar het gaat om de betekenis die je eraan hecht als de ander minder geeft. Het gaat om de uitleg die je daaraan geeft. 

Hierop ontstond een dialoog tussen de deelnemers. Het ging heen en weer tussen het concrete voorbeeld en de overtuigingen van de deelnemers. De gespreksleider let op dat de hoofdvraag in beeld blijft. 

Op een gegeven moment vraagt de gespreksleider: welke onderliggende overtuigingen spelen hier? Kunnen jullie die proberen te formuleren?: 

– De behoefte aan evenwicht tussen geven en nemen is per persoon verschillend.

– Je mag geven en nemen vanuit je eigen gevoel en niet afhankelijk van wat de ander doet.

– Er is alleen een probleem als met het verschil in geven bewust een verschil in waardering voor de ander wordt gecommuniceerd ( of als je het gevoel hebt dat dat zo is).

 

5. DE ESSENTIE

De gespreksleider vraagt de aanwezigen of ze met elkaar tot een uitspraak/ een regel kunnen komen ten aanzien van deze vraag en kwestie:

We hebben de neiging om in relaties geven en nemen te vertalen naar de mate van waardering die iemand voor je heeft, maar het is beter om die twee los te zien van elkaar. 

Het Socratisch Gesprek,

www.hetsocratischgesprek.nl

Maart 2024

Scroll naar boven