Wat is kwaliteit van onderwijs?

De Theodorusschool voor vmbo, havo en vwo hield een studiedag met als thema de kwaliteit van het onderwijs. Dit keer stonden er geen trainingen en modellen op het programma, maar een socratisch gesprek: een collectief, gestructureerd gesprek met als doel om:

–            optimaal gebruik te maken van ieders ervaring en wijsheid

–            tot gedeelde inzichten te komen over kwaliteit van onderwijs

–            onder begeleiding te oefenen met kritisch luisteren en helder denken

–            de onderlinge verbondenheid tussen onderwijzend personeel te versterken

Wat is kwaliteit van onderwijs?

Met deze vraag als uitgangspunt werd de deelnemers van tevoren gevraagd na te denken over een alledaags voorbeeld uit hun eigen docentenpraktijk waar kwaliteit van onderwijs in het spel was. Of anders geformuleerd: kunt u een onderwijssituatie noemen in het afgelopen halfjaar die u is bijgebleven en waarbij u zichzelf iets hebt afgevraagd over de kwaliteit van onderwijs?

 

De dag begon met een plenaire bijeenkomst, 47 docenten bij elkaar. Als eerste vroegen we van iedereen uitspraken over kwaliteit van onderwijs. Dat hoefde niet al te genuanceerd te zijn. Roep gewoon maar wat er bij je leeft! Niets is fout, geneer je niet! Er kwam van alles en dat noteerden we op flipovers: ‘Huiswerkcontrole moet beter’, ‘Er is niet genoeg orde in de klas!’, ‘Het lesmateriaal is verouderd’. Daarna konden degenen die dat wilden hun uitspraken kort beargumenteren.

Kortom; het eerste half uur leverde een rijkdom aan eerste, wilde gedachten over goed onderwijs op. Het werd allemaal genoteerd op flipovers en daarna met rust gelaten– voor de discussie later op de dag.

 

Na dat half uur werden 6 groepen van 7 à 8 mensen samengesteld om de discussie als socratisch gesprek voort te zetten. Waarom socratisch gesprek? Omdat hiermee niet alleen bestaande meningen boven water komen, maar ook nieuwe inzichten bij de deelnemers worden ‘geboren’. Hoe werkt dat? Dat begrijp je vooral als je het zelf meemaakt, maar cruciaal is het toetsen van ieders uitspraken aan de dagelijkse praktijk. Want de praktijk is waar leerling en docenten elkaar ontmoeten. Daar vindt het onderwijs daadwerkelijk plaats. Daar is de praktische wijsheid (de phronèsis) te vinden: wat werkt en wat niet?

 

We begonnen daarom na het inventariseren van de meningen met het doornemen van praktijkvoorbeelden van de aanwezigen! Wie heeft er een praktijkvoorbeeld waarin hij of zij zich vragen stelde over de kwaliteit van het onderwijs? Vertel wat je hebt meegemaakt! En wat is daarbij je vraag?

Loes komt met een voorbeeld. Zij is lerares economie en is sinds dit jaar aangesteld in de bovenbouw havo en vwo. Zij vertelt:

‘Laatst behandelde ik op het vwo nieuwe stof waarin ik mezelf ook behoorlijk opnieuw voor in had moeten werken. Er was een leerling die vooruit had gewerkt en me een lastige vraag stelde waar ik niet meteen antwoord op wist. Ik gaf wel een antwoord, maar daarmee verdraaide ik de vraag van die leerling eigenlijk. Dat realiseerde ik me achteraf pas. Ik wilde als het ware niet laten merken dat ik het niet wist. Nu vraag ik me af: ‘Mag je als docent laten merken dat je iets niet weet?’

Een mooie vraag! Kunnen alle deelnemers zich hiermee identificeren? Ja?, dan kunnen we dit voorbeeld nemen om onze inzichten aan elkaar te scherpen.

De volgende stap nu was dat iedereen zich voldoende zou kunnen verplaatsen in de situatie en in de rol van Loes om hierover eigen uitspraken te kunnen doen. Om dit te bereiken mocht iedereen Loes naar de feiten vragen van de situatie vragen teneinde de situatie ‘als in een filmpje’ in detail voor zich te kunnen zien. Dat is nog niet eenvoudig! Zodra je gaat praten komen de oordelen en normen direct om de hoek. Aan de gespreksleider te taak om de deelnemers bij de feiten te houden. Feitvragen zijn bijvoorbeeld: ‘Wat gebeurde er daarna?’ ….de leerling was zichtbaar teleurgesteld. ‘Wat dacht je toen je die afwachtende ogen van die leerling zag?’ Wanneer vroeg je je af of dit kwaliteit was?…toen ik het teleurgesteld gezicht van de leerling zag. Ik wist dat hij wist dat ik de vraag niet had beantwoord. Ik dacht: ik wilde mijn aanzien bewaren en nu heb ik het tegengestelde effect bereikt.

Het volgende onderdeel van het gesprek was de verplaatsing. Daarin verplaatste ieder van de deelnemers zich even in de schoenen van Loes. Ze waren allemaal die docent die voor de keuze stond: ‘moet ik zeggen dat ik het niet weet, of de vraag omzeilen?’

Iedereen werd ook gevraagd naar de gedachten die in zo’n situatie allemaal door je hoofd gaan: ‘ ik heb de leerling niet serieus genomen, had ik mijn twijfel moeten uitspreken? De leerling is teleurgesteld. ‘ik heb afstand gecreëerd…

En iedereen werd gevraagd wat hij of zij zou doen in deze situatie en waarom.

Over deze argumenten werd stevig doorgepraat. waarom is het beter eerlijk te zijn dan je autoriteit als docent te beamen? Of gaan die twee juist heel goed samen? Zo ontstonden er heel veel perspectieven of dit voorval waardoor de aanwezige docenten veel van elkaar leerden. En het slot van het verhaal?  Wat was nu ons antwoord op ‘kwaliteit van onderwijs’?

Wat we meenamen naar de plenaire sessie was: ‘kwaliteit van onderwijs is eerlijk zijn tegen een leerling, ook al ben je bang je autoriteit te verliezen. Juist door iets te verbergen verlies je veel meer je autoriteit. Leerlingen zien alles.’

 

De moraal van deze dag:

Er is in iedereen veel meer wijsheid aanwezig dan op dagelijkse basis wordt toegepast. We weten zo veel, zeker met z’n allen. Laten we zorgen dat onze collectieve wijsheid het onderwijs ten goede komt!