In hoeverre moet je je laten beïnvloeden door signalen uit de wandelgangen?

In hoeverre moet je je laten beïnvloeden door signalen uit de wandelgangen?

Hieronder tref je een beschrijving van een socratisch 1 op 1 gesprek van ca. een uur. Voor de volledigheid eerst nog even de structuur en de regels waaraan een socratisch gesprek moet voldoen:

Structuur:

 

Regels:

(dit zijn tevens een aantal van de belangrijke socratische vaardigheden)

– Stel je oordeel uit

– Luister nauwkeurig

– Wees concreet/ vraag naar de feiten

– Denk zelf, verlaat je niet op kennis of autoriteit van anderen

– Verdraag het niet-weten

– Stel je empathie uit

– Gebruik in je vraag de woorden van de ander

 

1. De vraag

Een gesprek begint meestal met een opmerking, een vraag of een mening. Als je een socratisch gesprek wilt voeren, dan wil je aan het begin van het gesprek met elkaar kijken of er een vraag is die als leidraad voor het gesprek kan worden genomen. In dit geval was de achtergrond van het gesprek een situatie op een basisschool waarbij een van de docenten vervelende berichten over zichzelf opving die in de wandelgangen circuleerden. Ze vroeg zich af:

In hoeverre moet je je laten beïnvloeden door signalen uit de wandelgangen?

 

2.Concretiseren

Keuze van een voorbeeld

Nu vraagt de gespreksbegeleider naar een situatie die aanleiding is voor de vraag. De ervaring van Jorien was: zij had voor de zomervakantie gehoord dat ze er na de vakantie leidinggevende taken bij zou krijgen vanwege de pensionering van een van de docenten. Dit had ze in haar enthousiasme vrijwel meteen met een bevriende collega gedeeld. Na de zomervakantie bleek dat sommige collega’s, waaronder deze bevriende collega, tegen elkaar hun ontevredenheid uitten over de nieuwe taakverdeling.

 

Onderzoeken van een voorbeeld

Nu stelt de gespreksbegeleider vragen aan Jorien om de feiten op een rij te krijgen. In deze vraagfase komt het aan op de socratische houding van luisteren en vragenstellen. De vragensteller onthoudt zich van aannames, suggesties, interpretaties en adviezen. Er wordt alleen naar de feiten bij het voorliggende ervaringsvoorbeeld gevraagd (wie, wat waar, wanneer, hoe, wat werd er gedaan, gedacht en gevoeld?). De vragen worden zo veel mogelijk in de verleden tijd gesteld, zodat er reflectie ontstaat. Zie hieronder de vragen die aan Jorien gesteld werden. Ik plaats soms achter de vragen opmerkingen over het soort vraag, of laat zien waar ik als trainer een interventie heb gedaan.

Vraag: Wanneer hoorde je voor het eerst over roddels in de wandelgangen?

Jorien: Toen ik terugkwam van vakantie.

Vraag: Wat werd er precies gezegd? (goed doorgevraagd)

Jorien: De hele situatie bleek al ruim voor de zomervakantie te zijn ontstaan. De collega die met pensioen ging had er met een aantal collega’s openhartig besproken hoe zij haar opvolging zag. En zij vond mij niet de juiste persoon om haar op te volgen. En toen ik terugkwam van vakantie hoorde ik van iemand dat er over mij geroddeld werd. Er was een groepje mensen ontstaan dat er kritiek op had dat ik die baan had gekregen.

Vraag: Was dat een grote verrassing dat jij die baan kreeg?

Jorien: Nee, ik ben jaren geleden al aangenomen om ooit door te groeien naar een leidinggevende positie.

Vraag: Hoe voel je je daaronder?

Interventie: stel je vraag in de verleden tijd, anders leiden dit soort vragen tot een psychologisch gesprek. Houd het feitelijk.

Vraag opnieuw: Hoe voelde het voor je toen je dat hoorde?

Jorien: Als een mes in de rug.

Vraag: Waarom een mes in de rug? (goed doorgevraagd ipv ingevuld)

Jorien: Vooral omdat een vervelende opmerking van die collega bleek te komen waarmee ik dacht een goede relatie te hebben. Het was ook duidelijk aan de manier waarop het verwoord was, dat haar doel was om onrust te zaaien. Dat stelde me teleur. Toen ik het haar voor de zomervakantie vertelde was zij juist erg enthousiast voor mij. En ik kon er niet met haar over in gesprek gaan.

Vraag: Waarom kon je er niet over in gesprek?

Jorien: Omdat degene die mij van de roddels vertelde haar informatie vertrouwelijk had gekregen en ik het dus zogenaamd niet wist. Bovendien zat ik inmiddels in die andere functie, dus het paste ook niet om erover te praten.

Vraag: Heb je wel overwogen de betreffende roddelaars aan te spreken?

Jorien: Ik heb een professionele afweging gemaakt, maar de samenhang van de groep roddelaars heeft mij tegengehouden om het te gaan bespreken. Mijn angst was dat ik meer olie op het vuur zou gooien en dat het niets voor mij zou oplossen.

Vraag: Wat was die vervelende opmerking?

Jorien: Dat een andere collega -van dat groepje- ook geïnteresseerd was in de functie en dat de procedure niet juist was geweest.

Vraag: En was de procedure niet juist geweest?

Jorien: Dat ik die taken van de vertrekkende collega zou overnemen was eigenlijk al heel lang bekend. Alleen mijn functietitel was nieuw voor iedereen: adjunct.

Vraag: Heb je nog iets anders gedaan?

Jorien: Ik heb om raad gevraagd bij een collega die ik vertrouwde. Dat hielp.

 

3. Hittepunt en kernbewering

Als je als gepreksbegeleider het idee hebt dat de relevante feiten zijn benoemd dan kun je de ander om het hittepunt van zijn/haar voorbeeld vragen. Die vraag luidt meestal zo: ‘Wat was het moment in deze situatie waarop jouw vraag het meeste speelde?’

Jorien: Dat was het moment dat ik hoorde dat er over mij werd geroddeld.

Wat is op dit moment jouw voorlopige antwoord op je vraag: In hoeverre moet je je laten beïnvloeden door signalen uit de wandelgangen? (= de kernbewering)

Jorien: Ik zou zeggen: als het je raakt, dan moet je er iets mee.

Vraag: Maar je had toch al besloten dat je geen olie op het vuur wilde gooien?

Interventie: Je bent nu als vragensteller aan het analyseren en doet een aanname over wat Jorien raakt. Het idee van het socratisch gesprek is dat je de ander aan het denken zet middels vragen en niet zelf gaat analyseren. Jouw eigen ideeën als gespreksbegeleider kun je verderop in het gesprek toetsen bij de ander als daar een goede aanleiding voor komt in het verhaal van de ander, anders niet.

Door door te vragen naar de argumentatie onder de kernbewering kom je vanzelf bij de relevante zaken voor de ondervraagde uit.

4. Argumentatie

De gespreksbegeleider vraagt nu om een argument bij de kernbewering van de ander: ‘Waarom geef je dit antwoord? Kun je dat onderbouwen met feiten uit deze casus?

Jorien: Ik wist dat het niet verstandig was om de mensen uit het groepje hierop aan te spreken, maar toch had ik de intuïtie dat ik er iets mee moest, omdat iets me raakte.

Vraag: Waarom wilde je de mensen uit het groepje hier niet op aanspreken?

Jorien: Mijn overtuiging is dat je wel met de bron van jouw informatie kunt spreken maar niet met anderen waar dit over gaat.

Vraag: Waarom niet?

Jorien: Met informatie uit de tweede hand begeef je je altijd op glad ijs. Bovendien geeft roddels bespreken negativiteit. Je gaat jezelf al snel verdedigen. Daar schiet je niets mee op.

Vraag: En wat was het dan dat je raakte en dat je wel wilde bespreken?

Jorien: Dat was die opmerking dat de procedure niet juist was geweest. Dat ging over mijn professionaliteit.

Vraag: Waarom wilde je daar wel op terugkomen? Wat is het verschil met jezelf verdedigen? (heel goed, elenchus: als gespreksbegeleider wil je de ander graag confronteren met een tegenspraak. Dat deed Socrates vaak en Plato meende dat de verwarring die een gevolg is van deze confrontatie de ander tot dieper denken aanzet.)

Jorien: Dat van de juiste procedure gaat over waarden. Misschien hadden ze daar wel recht van spreken. Dat gaat over ‘Staan we open voor elkaars commentaar, willen we elkaar blijven voeden?’ En daar gaat mijn functie als adjunct ook over.

 

5. Essentie

Kun je nog eens antwoord geven op je vraag: In hoeverre moet je je laten beïnvloeden door signalen uit de wandelgangen?

Antwoord: alleen in zoverre bespreken helpt om de samenwerking te bevorderen. Er is altijd wel gemopper is in een organisatie. Daar hoef je niets mee. Maar wanneer er onderliggende problemen doorklinken uit die verhalen, dan moet je daarop ingaan.

Heb je nog meer inzichten opgedaan?

Dat ik mensen om me heen heb wie ik om raad kan vragen en die ik vertrouw. Dat er mensen zijn die het fijn vinden om in de rol van aanklager te zitten in de dramadriehoek. Dat de hele situatie me tot nadenken heeft gebracht over hoe de organisatie in elkaar zit. Dat is positief.

December 2020, Marlou van Paridon, www.hetsocratischgesprek.nl

 

Share →
QR Code Business Card