Achtergrond hiervan is dat er in situaties altijd meerdere principes en belangen spelen. Hoe worden je belangrijkste principes het best nageleefd?

Hieronder tref je een beschrijving van een socratisch gesprek van ca. anderhalf uur in vijf stappen. Voor de volledigheid eerst nog even de structuur en de regels waaraan een socratisch gesprek moet voldoen:

 

STRUCTUUR:

 

 

REGELS:

(dit zijn tevens een aantal van de belangrijke socratische vaardigheden)

– Stel je oordeel uit

– Luister nauwkeurig

– Wees concreet/ vraag naar de feiten

– Denk zelf, verlaat je niet op kennis of autoriteit van anderen

– Verdraag het niet-weten

– Stel je empathie uit

– Gebruik in je vraag de woorden van de ander

 

 

1.DE VRAAG

Als eerste wordt een vraag gezocht die alle aanwezigen graag onderzocht willen hebben. Het werd de bovenstaande vraag. Achtergrond hiervan is dat er in situaties altijd meerdere principes en belangen spelen. Wanneer wegen andere principes zwaarder zodat je onrechtvaardige behandeling maar laat voor wat die is?

 

 

2.CONCRETISEREN

Daarna wordt een ervaringsvoorbeeld gekozen van een van de aanwezigen waarmee de vraag onderzocht kan worden.

 

Het voorbeeld van Josefien werd gekozen. Het speelde op het vliegveld. Josefien vroeg aan een boardingsbeamte of haar handbage-koffer straks in het ruim mee moest en of zij dan alvast wat spullen eruit kon halen. Dat werd bevestigd. Zij maakte vervolgens een apart tasje met spullen voor in het vliegtuig en stond even later met een koffer en een aparte tas voor dezelfde beamte om te boarden. Deze herkende haar niet en constateerde dat zij twee stuks bagage had, één te veel. Zij vertelde de man dat ze die spullen net uit de koffer had gehaald, maar hij geloofde niet dat alles in die ene koffer zou passen Daarop moest zij opnieuw alles in haar ene koffer pakken. Achteraf bleek dat degene die de boarding doet sowieso niet bevoegd is om iemand zijn koffer open te laten maken.

 

 

Onderzoeken van het voorbeeld:

Nu stellen de deelnemers (feit) vragen aan Josefien. Het doel van de vragenstellers is om het voorbeeld van Josefien zo duidelijk voor zich te zien, dat zij zich straks (in de fase hierna) kunnen verplaatsen in Josefien’s situatie.

Let op: Het gaat er niet om de voorbeeldgever te helpen en te adviseren (zoals bij intervisie), het doel is dat alle deelnemers gaan reflecteren over de uitgangsvraag en dat doen aan de hand van hetzelfde ervaringsvoorbeeld.

In deze vraagfase komt het aan op de socratische houding van luisteren en vragenstellen. Er wordt naar feiten gevraagd (wie, wat waar, wanneer, hoe, wat werd er gedaan, gedacht en gevoeld?) en naar beweegredenen bij die feiten (wat maakte dat iemand dat dacht/deed?).

Lees hieronder welke vragen werden gesteld. De gespreksleider intervenieert wanneer de vragen het concrete, onderzoekende karakter verliezen, met andere woorden als suggestieve, oplossingsgerichte of abstracte vragen worden gesteld. Ik zal hieronder aangeven wanneer er geïntervenieerd moest worden:

 

Vraag: Wanneer vroeg je aan die beamte of je alvast een kleine tas voor het vliegtuig moest maken?

Josefien: Toen ik nog niet in de rij stond. Ik liep even naar hem toe om dat te vragen.

Vraag: Wat dacht je toen hij tegen jou zei dat je je bagage in één koffer moest stoppen?

Josefien: Ik dacht eerst dat hij een grap maakte. Hoe kon hij nou vergeten zijn dat ik dat net gevraagd had?

Vraag: Wat deed je?

Josefien: Eerst zei ik: Meen je dit nou echt? Ik geloofde niet dat hij dit van me wilde.

Vraag: Voelde je je rot?
Interventie: Kun je die vraag opnieuw stellen zonder iets te suggereren?

Vraag opnieuw: Wat voelde je erbij?

Josefien: Het was vernederend. De mensen om me heen konden allemaal in mijn koffer meekijken. Ik was ook boos omdat het nergens op sloeg. Het had totaal geen nut.

Vraag: Wat had dit met onrechtvaardigheid te maken? (Goed, af en toe teruggaan naar de uitgangsvraag om het onderzoek relevant en scherp te houden).

Josefien: Deze man gebruikte een stomme bureaucratische regel die geen enkel nut had. En hij mocht dit niet toen, gezien zijn functie.

Vraag: Kun je daar nog iets meer over vertellen? (goed doorgevraagd. Soms lijkt het alsof je alles weet maar herhaling, zeker bij het punt waar het om gaat, kan veel opleveren)

Josefien: Die man was eigenlijk ook slachtoffer van het systeem. Dit gebeurt te vaak. Als je geen daad stelt dan gaat het toch maar door?

Vraag: Heb je overwogen om te weigeren?

Josefien: Ja, en daar twijfel ik nu nog aan. Had ik niet gewoon moeten weigeren, een statement maken?

Vraag: Waarom deed je dat niet? (goed: vergelijk de feiten met wat er gezegd wordt)

Josefien: Dan had ik mijn omstanders nog meer lastig gevallen. En het was mij op dat moment toch niet gelukt het systeem aan te pakken. Ik dacht: ‘ik kan beter een klacht indienen.’

 

Formuleren van het hittepunt:

Aan het einde van deze vraagronde werd de voorbeeldgeefster, Josefien, gevraagd wat het hittepunt was, ofwel welk moment in dit voorbeeld het meest bepalend was om de vraag ‘Wanneer moet je onrechtvaardige behandeling accepteren om de lieve vrede te bewaren?’, te beantwoorden.

Josefien: Dat was toen ik bezig was m’n koffer in te pakken en iedereen om me heen stond.

 

3. VERPLAATSEN

Alle deelnemers verplaatsen zich nu in de situatie van Josefien, in het hittepunt, met hun eigen karakter en beantwoorden de volgende vragen op schrift:

  1. Wat zou ik voelen?
  2. Wat zou ik denken?
  3. Wat zou ik doen?

 

De gespreksleider schrijft enkele antwoorden op een flip-over.

Voelen: Strijdlustig, alert, verward, vernederd, boos, schaamtevol.

Denken: Ben ik nou gek? Wat bezielt deze man? Waarom heb ik dit veroorzaakt?

Doen: Mezelf beheersen, bovenop de balie extreem traag m’n koffer inpakken, achteraf bespreken met een vriend, gewoon doen en snel het vliegtuig in.

Vervolgens werd iedereen inclusief Josefien gevraagd een voorlopig antwoord te geven -op schrift- op de uitgangsvraag. De gespreksleider vraagt alle voorlopige antwoorden op en kiest twee of drie antwoorden die van elkaar verschillen om te noteren op flip-over.

De vraag was nogmaals: Wanneer moet je onrechtvaardigheid laten bestaan om de lieve vrede te bewaren? Deze antwoorden werden als eerste genoteerd:

Rob: Zolang de grenzen van fatsoen niet overschreden worden.

Linde: Als mijn ingrijpen voor niet-betrokkenen negatief zou uitpakken.

Josefien: Nooit. Onrecht moet bestreden worden omdat we elkaar op onze individuele verantwoordelijkheid moeten aanspreken.

 

4. ARGUMENTEREN

De gespreksleider vraagt nu naar argumenten bij de hierboven gegeven antwoorden. Daarbij is het belangrijk dat de sprekers nog steeds binnen het voorbeeld blijven. Na het argument gebaseerd op het voorbeeld wordt doorgevraagd naar een eventuele algemene regel (een overtuiging) die daar voor de betreffende persoon aan te verbinden is. Dit waren de uitspraken met bijbehorende argumenten en overtuigingen:

 

Rob:

Uitspraak: Zolang de grenzen van fatsoen niet overschreden worden.

Argument binnen het voorbeeld: Als ik stampij ga maken dan moet iedereen wachten. Dat zou ik heel vervelend vinden. Ik vind fatsoen belangrijk.

Overtuiging: Je moet je altijd laten leiden door wat voor jou op dat moment fatsoenlijk voelt.

 

Linde:

Uitspraak: Als mijn ingrijpen voor niet-betrokkenen negatief zou uitpakken.

Argument binnen het voorbeeld: Ik vind het niet erg om medepassagiers te storen maar je moet wel het algemeen belang in de gaten houden. Als de vlucht vertraagd zou worden ga je te ver. Ja, het is in het groepsbelang dat dit in de toekomst opgelost wordt, maar dat hoeft niet hier en nu.

Overtuiging: Je moet grote en kleine doelen, korte- en lange-termijn doelen uit elkaar houden.

 

Josefien:

Uitspraak: Nooit. Onrecht moet bestreden worden omdat we elkaar op onze individuele verantwoordelijkheid moeten aanspreken.

Argument binnen het voorbeeld: Je veroorzaakt misschien irritatie bij anderen, maar zo is er altijd wel een reden om niet je mond open te doen. Als je het nu niet aankaart wanneer dan wel. Nu is de ander zich bewust van wat er gebeurt, later misschien niet meer.

Overtuiging: Als je iets wilt veranderen dan moet je de problemen aankaarten op het moment dat ze zich voordoen.

De gespreksleider laat de groep nu praten over de overtuigingen en/of over bepaalde woorden in de uitspraken die nader kunnen verhelderen waar het iedereen om gaat.

De gespreksleider confronteert Josefien met een tegenstrijdigheid om haar dieper te laten nadenken (elenchus)*:

Josefien, in je voorbeeldsituatie heb je het niet aangekaart. Nu zeg je in je overtuiging dat dat wel nodig is. Kun je dit uitleggen?

Josefien: Als ik dat had gedaan dan had ik misschien m’n vliegtuig gemist en dat had ik er niet voor over.

(*Elenchus. Socrates confronteerde iemand graag met tegenstrijdigheden in wat hij zegt en doet omdat dat de ander brengt tot diepere beweegredenen of overtuigingen (want de ander wordt gedwongen de tegenstrijdigheid te verklaren).

Gespreksleider: Kun je een nieuwe overtuiging geven met wat je nu zegt en het feit dat je je vliegtuig niet wilt missen?

Josefien: Onrecht moet bestreden worden waar het zich voordoet, in zoverre het andere belangrijke zaken niet schaadt.

Linde regaeert op Josefiens uitspraak: Als het om verdedigen van mijn principes gaat dan zet ik daar andere zaken voor opzij. Zijn het wel principes als je er je belangen niet voor opzij wilt zetten?

 

Gespreksleider:

Wat zou jou overtuiging dan zijn Linde, als je dit meeneemt?

Je moet onrecht effectief bestrijden en grote en kleine doelen scheiden, en als het nodig is daarvoor je belangen opzij zetten.

 

5. DE ESSENTIE

In de laatste fase van het gesprek probeert de gespreksleider ofwel door elenchus, ofwel door vragen naar uitleg van woorden en uitspraken te komen tot meer fundamentele uitspraken. Je werkt met elkaar als het ware terug in het denken naar een fundamenteler niveau. Daartoe kun je als gespreksleider ook naar een vooronderstelling vragen die onder iemands uitspraak ligt of, anders geformuleerd, je vraagt: ‘welke algemene regel maakt dat je dit kan zeggen’

Hieronder een voorbeeld van vragen naar vooronderstellingen / algemene regels:

 

Uitspraak Linde: Je moet grote en kleine doelen, korte en lange termijn doelen uit elkaar houden.

Vooronderstelling: Dat grote en kleine doelen te scheiden zijn. Dat lange termijn doelen aan te pakken zijn als je het op korte termijn misschien uitstelt.

 

Uitspraak Josefien: Als je iets wilt veranderen dan moet je de problemen aankaarten op het moment dat ze zich voordoen.

Vooronderstelling: Dat aankaarten al iets oplevert, ook als je de problemen niet op dat moment kan oplossen.

 

Linde en Josefien vinden elkaar uiteindelijk in de volgende redenering:

In elk geval is aankaarten op het moment dat zich iets voordoet belangrijk. Zodat je het bewustzijn van betrokkenen vergroot over wat er niet klopt in systemen. Echt aanpakken kun je soms beter achteraf doen, omdat je dan effectiever kunt handelen. Maar als je overtuigd bent dat er iets moet veranderen, dan moet je daar concessies voor willen doen.

 

Uiteindelijk vraagt de gespreksleider om een bondige formulering van zijn/haar essentie door elke deelnemer:

Wat is voor jou de essentie van dit gesprek? Wat gaat je hier aan het hart? Kun je dat in één zin goed formuleren?

 

Rob: Uiteindelijk gaat het om goed omgaan met elkaar.

 

Linde: Het gaat om collectief voor individueel laten gaan: waarmee is ieders belang het meest gediend?

 

Josefien: Verandering van het systeem begint bij aankaarten en bewust maken van je omgeving.

QR Code Business Card