De Colander lamp van Eibert Draisma (deze casus gaat niet over de Colander lamp).

Aanleiding voor deze vraag is dat kleine creatieve ondernemers bij professionele groei de hulp van anderen moeten zoeken. Als anderen je daarbij gaan helpen, in hoeverre moet je dan meegaan in de voorwaarden die de anderen stellen, vooral als de voorwaarden ten koste zouden gaan van de creatieve elementen en de doelstelling van je bedrijf.

Hieronder tref je een beschrijving van een socratisch gesprek van ca. 1 1/2 uur, in 5 stappen. Voor de volledigheid eerst nog even de structuur en de regels waaraan een socratisch gesprek moet voldoen:

 

STRUCTUUR:

 

REGELS:

(dit zijn tevens een aantal van de belangrijke socratische vaardigheden)

– Stel je oordeel uit

– Luister nauwkeurig

– Wees concreet/ vraag naar de feiten

– Denk zelf, verlaat je niet op kennis of autoriteit van anderen

– Verdraag het niet-weten

– Stel je empathie uit

– Gebruik in je vraag de woorden van de ander

 

1.DE VRAAG

“In hoeverre mag je concessies doen aan je ‘zakelijke kindjeom het de wereld in te helpen ?”

 

2.CONCRETISEREN

 

Keuze van het voorbeeld

Het voorbeeld dat werd gekozen was dat van Annelies. Annelies heeft een digitaal hulpmiddel ontwikkeld om om te gaan met geestesproblematiek. Het project werkt met veel creatieve elementen. Annelies heeft een creatieve achtergrond, en heeft het project ontworpen naar aanleiding van problematiek in haar eigen omgeving. Het model, dat een prototype is, is al jaren een succes. Zodanig, dat het tijd wordt om serieus over professionalisering te gaan denken. Om haar project zakelijk betere kansen te bieden heeft Annelies deelgenomen aan een start-up accelerator. Een initiatief dat start-ups helpt met hun business model. Annelies krijgt naar aanleiding hiervan interesse van een bedrijf dat start-ups helpt om hun bedrijf te bouwen. In theorie een mooie kans, maar Annelies twijfelt om met deze incubator in zee te gaan, vanwege de eisen die zij stellen.

 

Onderzoeken van het voorbeeld

Na deze korte omschrijving van het voorbeeld stellen de deelnemers (feit) vragen aan Annelies. Het doel van de vragenstellers is om het voorbeeld van Annelies uiteindelijk zó duidelijk voor zich te zien dat zij zich kunnen verplaatsen in Annelies’ situatie en dat iedereen zichzelf gaat afvragen wat zij hier zouden voelen, denken en doen.

In deze eerste vraagfase komt het aan op de socratische houding van luisteren en vragenstellen. Er wordt eerst alleen naar de feiten in het voorliggende voorbeeld gevraagd (wie, wat waar, wanneer, hoe, wat werd er gedaan, gedacht en gevoeld?) en later ook naar beweegredenen bij die feiten (wat maakte dat iemand dat dacht/deed?). Ik vermeld hieronder erbij wanneer de gespreksleider geïntervenieerd heeft om het onderzoekende karakter van het gesprek vast te houden.

Vraag: ‘Wat zijn de voorwaarden waar je voor terugschrikt?’

Annelies: ‘In ruil voor hun activiteiten en investeringen willen deze mensen meer dan 50% van het bedrijf in bezit hebben.”

Vraag: ‘Wat is je probleem daarmee?’

Annelies: ‘De zeggenschap. Zij kunnen dan beslissingen nemen zonder goedkeuring van mij.’

Vraag: ‘Vertrouw je ze niet?’

Interventie: ‘Dit is een suggestieve vraag. Annelies heeft het niet over vertrouwen gehad. Kun je de vraag opnieuw stellen?’

Vraag: ‘Waarom wil jij de zeggenschap blijven houden?’

Annelies: ‘Het project gaat over omgaan met geestesproblematiek, het betreft een kwetsbare groep mensen. Het heeft de potentie om stigma te creëren ipv tegen te gaan. Dit bedrijf heeft tot doel om geld te verdienen, geld verdienen is mooi, maar niet als het ten koste gaat van anderen. Als ik zoveel van het bedrijf van te voren weggeef, verlies ik het vermogen om dit te beschermen. Ook heb ik ambities om in het juiste tempo de wereld in te groeien, als je al zoveel weggeeft in het begin, is er geen ruimte voor een tweede investeringsronde.’

Vraag: ‘Heb je aanleiding te denken dat de nieuwe eigenaren het zo zullen aanpakken dat het ten koste van anderen gaat?’

Annelies: ‘Ik weet het niet. Ik heb normaal een goede intuïtie. Mijn intuïtie geeft nu wel alarmbelletjes, maar ik ben me ervan bewust dat dit ook gewoon mijn eigen angsten zouden kunnen zijn. In theorie lijkt alles in orde te zijn, behalve de voorwaarden. Hoe weet ik nu of dat mijn intuïtie juist is, of dat ik mezelf in de weg zit?’

Vraag: ‘Wat houden hun activiteiten in?’

Annelies: ‘Ze helpen met traditionele elementen van zaken doen. Ze zijn zelf een start-up dat start-ups helpt om een bedrijf te bouwen. Ze helpen bij het vinden van investeringen, helpen het bedrijf te groeien. Ze verkopen na een tijdje het bedrijf met winst en verdienen op die manier hun geld.’

Vraag: ‘Maar kun je dat geld niet via crowdfunding krijgen?’

Interventie: ‘Zou je het advies geven willen uitstellen tot later in het gesprek? Nu willen we eerst alle details van de situatie helder krijgen. Wil je je vraag opnieuw stellen?’

Vraag: ‘Wat bedoel je met traditionele elementen van zakendoen?’

Annelies: ‘Ze helpen met het business groeimodel, het vinden van een CEO en financiële projecties. Ze hoeven geen klanten voor me te vinden want er melden zich vanzelf al allerlei instanties die hiervan gebruik willen maken.’

Interventie: ‘Zouden jullie vragen kunnen stellen om het hittepunt voor Annelies te achterhalen? Met andere woorden, om te onderzoeken wat het moment in dit voorbeeld is waarop Annelies zichzelf die vraag stelde: ‘hoeveel concessies moet ik aan mijn kindje doen?’

Vraag: ‘Hoe ging het eerste contact met deze start up precies?’

Annelies: ‘Het was tijdens het acceleratorprogramma voor start-ups. Bart, een van de managing directors van het bedrijf dat start-ups helpt, was aangewezen als mijn mentor, hij had onze casus gezien en had zelfs gevraagd om mijn mentor te mogen zijn. Hij was een goede mentor tijdens mijn deelname aan de accelerator. Hij stond open voor mijn problematiek en begreep waar het om ging.’

Vraag: ‘Hoe oud is Bart?

Annelies: ‘Een jaar of 50 met ervaring in het corporate bedrijfsleven.’

Vraag: ‘Wat waren zijn vragen?’

Annelies: ‘Wat mijn bedrijf nodig had om te groeien. Ik voelde me echt geholpen door hem. Ik heb hulp nodig om een team te bouwen. Zo iemand is wat ik nodig heb.’

Vraag: ‘En is hij nu een van de mensen die eigenaar van de aandelen zou worden?’

Annelies: ‘Nee, maar zijn baan is om geld te verdienen voor de investeerders, daar krijgt hij ook een percentage van.’

Vraag: ‘Wat vind je daarvan?’

Annelies: ‘Hij heeft me geholpen. Het bedrijf waarvoor hij werkt lijkt ideaal. Maar hun voorwaarden voelen voor mij als onacceptabel. Ik heb hier 12 jaar van mijn leven inzitten. Ik heb het uitgevonden en nu zou ik opeens meer dan de helft moeten overdragen? Ik kreeg van kennissen het advies om naar andere soortgelijke incubators te kijken, maar dat vind ik moeilijk. Hij was de eerste die echt geïnteresseerd was en dan ben ik loyaal.’

Vraag: ‘Zijn er andere partijen geïnteresseerd?’

Annelies: ‘Ja, maar ik vind het niet fair om ook met hen te praten. Het is alsof ik een afspraakje met twee vriendjes tegelijk maak. Dat doe je toch niet.’

Vraag van de gespreksleider: ‘Je hebt loyaliteit aan Bart en toch twijfel je om met hem in zee te gaan. Kun je dat nader uitleggen? (Hier past de gespreksleider de ‘elenchus’ toe: het confronteren van de voorbeeldgever met tegenstrijdigheden in wat hij zegt. Dit levert vaak een verdieping van het denken op.)

Annelies: ‘Ik vertelde hen dat ik maximaal 15-20% van mijn bedrijf weg wilde geven. Zij gaven daarna aan interesse te hebben, maar bij een eerst volgend gesprek stuurden ze aan op meer dan 50% van mijn bedrijf.’

Vraag: ‘Wat dacht je toen? (goede vraag. Zowel in de onderzoeksfase als in de daaropvolgende verplaatsing zijn de vragen over ‘voelen, denken, doen’ interessant)

Annelies: ‘Ik dacht ‘dan verlies ik de controle, ik verlies dan het vermogen om de kwetsbare groep te beschermen. Ook zou ik dan een werknemer worden in mijn eigen bedrijf, daar wordt ik ongelukkig van.’

Vraag: ‘Waarom wil je de controle houden?’

Annelies: ‘Ik ben bang om ongelukkig te worden in een bedrijf dat ik zelf heb opgebouwd. Ik ben bang dat zij beslissingen gaan nemen die beïnvloed worden door geld en niet het sociale doel van mijn bedrijf. Hun doel is om geld te verdienen, en ze willen een snelle exit.’

Vraag: ‘Waarom wil je niet dat dat gebeurt met jouw project?’

Annelies: Ik sta open voor een exit, maar wil wel iets verkopen dat meer goed dan kwaad doet.’

Vraag: ‘Waarom overweeg je dan toch met hem in zee te gaan?’

Annelies: ‘Ik ben loyaal. Deze man heeft me geholpen. In theorie is het ideaal. Ik ben ook moe. Ik heb hulp nodig om dit bedrijf de wereld in te zetten. Ik weet niet hoe lang ik de kar nog in m’n eentje kan trekken.’

Vraag: ‘Speelt er nog meer? (goede vraag. Denk niet te snel dat je het hele plaatje al hebt. Soms wordt je nog verrast).

Annelies: ‘Ik heb nu bijna geen ruimte om nieuwe projecten te ontwikkelen. Dat wil ik op termijn graag weer gaan doen.’

 

3. VERPLAATSEN

De deelnemers verplaatsen zich nu in de positie van de voorbeeldgever en stellen zich voor hoe zij om zouden gaan met deze kwestie. Ze verplaatsen zich allen -als zichzelf, met hun eigen karakter- in het ‘hittepunt’. Het hittepunt is een moment binnen het voorbeeld waarop de uitgangsvraag voor de voorbeeldgever sterk speelde. Het hittepunt was hier het moment dat Annelies in een vervolggesprek zat en dacht: moet ik hier wel in meegaan?

Aan de deelnemers -met uitzondering van de voorbeeldgever- wordt nu gevraagd:

Als jij je in Annelies’ situatie zou bevinden, in het hittepunt:

  1. Wat zou jij voelen?
  2. Wat zou jij denken?
  3. Wat zou jij doen?

Schrijf je antwoorden op een vel papier.

Zeg vervolgens wat jou voorlopige antwoord is op de uitgangsvraag en beargumenteer dit. Blijf met je argumentatie binnen het voorbeeld en houd het hittepunt in de gaten.

De uitspraken waren als volgt:

 

Voelen

Ik voel me in het nauw gedreven.

Dit voelt niet als samenwerking.

Mijn intuïtie zegt dat het niet goed zit.

Wantrouwen. Ik voel me gemanipuleerd.

 

Denken:

Dit is geen samenwerken.

Ik zit in een positie van afhankelijkheid en zij misbruiken dat.

Zij zijn alleen op de winst uit. Zij hechten geen waarde aan mijn kindje.

Ik weet het al, maar ik wil het niet toegeven. Er is iets dat ik van mezelf niet mag.

Ik moet dus nee zeggen tegen iemand die in mij wil investeren?

Ik moet dus nee zeggen tegen een financieel zekere toekomst?

 

Doen:

Met de mentor praten. Vragen wat zijn droom is in dit project.

Uitleggen aan de mentor waarom het voor mij essentieel is zelf grip te houden.

No way dat ik met die mentor in zee zou gaan. Ik zou eerst andere partijen horen, vergelijken. Kijken wie betere voorwaarden biedt. Kijken bij wie het beter voelt.

Dit kost veel tijd, maar kan ook veel opleveren, afhankelijk van de aard van de casus.

Ik zou mijn loyaliteit voor die mentor opzij zetten en onderzoeken of het anders kan. Mijn grootste loyaliteit zit bij mijn kindje en ik geef mezelf de tijd om te onderzoeken wat de beste optie is.

 

4. ARGUMENTEREN

Nu worden de voorlopige uitspraken van iedereen – ook van Annelies- opgevraagd. De gespreksleider noteert alleen de uitspraken op flip-over die met elkaar contrasteren en stelt daar vragen over.

Eerst wordt de voorlopige uitspraak van Annelies gevraagd. Die luidde:

‘Soms moet je wel concessies doen’

Argument: ‘Als je te weinig weet van de goede zakelijke aanpak en zelf bijna opgebrand bent dan moet je wel. En misschien ben ik te wantrouwig en moet ik het traditionele bedrijfsperspectief vertrouwen? Die man heeft me ten slotte als mentor van de accelerator goed geholpen.’

Charles: ‘Ik zou geen concessies doen aan het realiseren van mijn dromen. Dat doe ik nooit.’

Interventie: ‘Charles, zou je in je argument bij de casus willen blijven? Nu gebruik je een algemeen argument, te weten ‘dat doe ik nooit.’

Charles: Annelies’ hele hart ligt in dit product. Zij heeft het gemaakt om mensen in haar omgeving te helpen; niet om geld te verdienen. Als ik in haar situatie was zou ik denken: Ik kan ook op een andere manier geld verdienen. Daar hoef ik mijn levenswerk niet voor te verkwanselen.

Aimee: ‘Mijn droom zou voorrang hebben boven het geld.’

Heather: ‘Ik zou alleen concessies doen als ik anders ongelukkig wordt.’

Argument: Hier speelt ook de wens om meer rust te krijgen, om met nieuwe creatieve projecten aan de slag te gaan, en het feit dat ik moe ben van dit project.

Op dit punt in het gesprek is het interessant om door te vragen op woorden die je in de argumentatie opvallen, of om tegengestelde uitspraken van de aanwezigen met elkaar te (laten) vergelijken.

De gespreksleider zegt: ‘Annelies, jij zegt dat je misschien concessies moet doen. Charles zegt het tegenovergestelde. Kunnen jullie daar eens met elkaar over praten?’

Charles: ‘Ik hoef nog helemaal geen concessies te doen, want ik kan kijken of ik bij andere partijen dezelfde hulp kan krijgen zonder dat zij voor meer dan de helft mee willen doen.’

Annelies: ‘Ja, maar deze mentor was de eerste die me echt wilde helpen. Ik voel de behoefte om zulke loyaliteit te belonen. Dat is ook een belangrijk principe van me.’

Vraag van iemand: ‘Waar is die loyaliteit op gebaseerd?’

Annelies: ‘Dat hij me begreep, wist wat ik nodig had. Ik heb behoefte aan die mentor-achtige hulp.’

Vraag: ‘Was het loyaliteit?’

Annelies: ‘Nu ja, hij heeft er zelf belang bij, maar in eerste instantie was zijn interesse oprecht.’

 

Gespreksleider:

Heather jij geeft als argument dat je wel concessies zou doen als je anders ongelukkig zou worden. Kun je uitleggen wat je bedoelt aan de hand van de casus?

Heather: ‘Ja, Annelies wil nog meer dan alleen dit kindje groot laten worden. Ze wil ook tijd voor nieuwe creatieve bezigheden en ze staat erg onder druk vanwege al het werk omtrent dit project.’

Annelies: ‘Ja, dat is wel waar maar mijn ethische verplichting is toch wel hoog. Ik zou het graag nog 2 jaar volhouden op dezelfde manier maar daarna moeten mensen waar ik vertrouwen in heb het overnemen.’

Vraag: ‘En heb je dan onvoldoende vertrouwen in je huidige mentor?’

Annelies: ‘Dat zei ik al. Mijn intuïtie slaat alarm, maar ik krijg geen grip op het waarom. Ik verlang naar mentor-een soort vaderfiguur-achtige kennis, maar ik vraag me wel af of die mentor als managing director het perspectief van de klant kan beschermen terwijl hij uit de corporate wereld komt. Ik ben bang dat de kennis omtrent dit specifieke product eerder schade aanricht als ik het uit handen geef aan mensen die tot doel hebben om geld te verdienen.

 

DEUGDENOEFENING

De gespreksleider besluit dit keer een deugdenoefening in te lassen, omdat het hier om genuanceerde afwegingen gaat waar de deugden houvast in kunnen bieden. Alle deelnemers verplaatsen zich daartoe nogmaals in de situatie van Annelies, in het hittepunt, met hun eigen karakter en beantwoorden de vragen op schrift over wat (welk gedrag van zichzelf) voor henzelf in deze situatie ‘moed’, ‘matigheid’, ‘wijsheid’ en ‘rechtvaardigheid’ zou inhouden. Dit is een persoonlijke oefening die tot zelfreflectie leidt. Zie hieronder de exacte vragen per deugd:

Matigheid:

‘Welk verlangen moet ik temperen en leidt deze reflectie nog tot een ander inzicht, welk?

Moed:

‘Welke angst of ongemak moet ik verdragen en leidt deze reflectie nog tot een ander inzicht, welk? Wijsheid:

‘Waarvoor ben ik blind? Wat moet ik onder ogen zien en leidt deze reflectie nog tot een ander inzicht, welk?

Rechtvaardigheid:

‘En als ik afstand neem? Wanneer is er balans?’

Nadat iedereen deze vragen op schrift heeft beantwoord worden de deelnemers gevraagd te kiezen bij welke van de deugden zij het meest tot nieuw inzicht kwamen en dit met de groep te delen. Dit leverde de volgende antwoorden op:

Coen:

Wijsheid. Ik zie nu dat als ik niet met anderen in zee ga, dat ik er dan helemaal alleen voorsta. Dat wil ik niet. Maar mensen moeten wel heel erg goed bij me passen voordat ik met ze in zee ga. Er moet geen licht tussen zitten.

Heather:

Moed. Iets houdt me tegen om voor mezelf te kiezen. Ik vind het heel ongemakkelijk om niet te voldoen aan verwachtingen van anderen. Als ik dat zou kunnen verdragen, dan kan ik meer tijd nemen om andere potentiële investeerders te spreken en iemand uit te kiezen waarbij het allemaal wel klopt.

Wijsheid. Ongemak hoort bij keuzes. Je doet het nooit alleen maar goed.

Charles:

Moed. Ik ben bang dat ik de verkeerde keuzes maak en dat anderen over me zullen oordelen. Ongemak om mezelf voor te laten gaan.

Annelies:

Moed. Het verlangen om het goed te doen in de ogen van iemand die ik belangrijk vind maakt dat ik niet goed kan nadenken.

Wijsheid. Mijn blindheid is dat ik dit behandel als een date. Ik moet af van het idee dat ik niet twee partijen tegelijk mag daten. Dit is zakelijk.

Liesbeth:

Matigheid. Ik moet het verlangen om ervan af te zijn matigen. Daardoor krijg ik haast en ga ik de keuze voor deze partij rationaliseren. Het leidt tot verkeerde keuzes.

 

5. DE ESSENTIE

Als het onderwerp en het verloop van het gesprek zich ervoor leent -en er is nog tijd-dan kun je in deze fase proberen de fundamentele principes die onder ieders uitspraken liggen te achterhalen. Dat doe je bijvoorbeeld door te vragen naar vooronderstellingen bij uitspraken van de aanwezigen en opnieuw woorden en uitspraken te laten verhelderen en vergelijken. Dit heet regressieve abstractie.

Je kunt ook eenvoudiger afronden door de aanwezigen te vragen wat voor hen de essentie van het gesprek in de afgelopen anderhalf uur was.

‘Waar gaat dit gesprek voor jou nu echt over?’ en

‘Wat gaat je hierin het meest aan het hart?’

 

De antwoorden waren:

Het gaat over het scheiden van zakelijk en persoonlijk. Je niet door gevoelens laten chanteren.

Het gaat over afstand nemen van wat je vertrouwd is, teneinde de zaken helderder te kunnen zien.

Inzien dat je in eerste instantie alleen voor jezelf verantwoordelijk bent.

Het gaat over balans. Wat is nog reëel en wat niet meer?

 

 

Het Socratisch Gesprek, Marlou van Paridon, april 2018.

 

QR Code Business Card