‘Hoe ver gaat onze burgerplicht bij het handhaven van de coronamaatregelen?’ 

 

Bijna dagelijks kom je wel iemand tegen die zich niet aan de regels houdt. Moet je daar iets van zeggen?

Hieronder tref je het verslag van een socratisch gesprek van anderhalf uur. De deelnemers kenden elkaar niet. Geen van de aanwezigen had veel ervaring met het socratisch gesprek. Voor de volledigheid eerst nog even de structuur en de regels waaraan een socratisch gesprek moet voldoen:

 

STRUCTUUR:

 

 

REGELS:

 

(dit zijn tevens een aantal van de belangrijke socratische vaardigheden)

– Stel je oordeel uit

– Luister nauwkeurig

– Wees concreet/ vraag naar de feiten

– Denk zelf, verlaat je niet op kennis of autoriteit van anderen

– Verdraag het niet-weten

– Stel je empathie uit

– Gebruik in je vraag de woorden van de ander

 

 

1.DE VRAAG

Als eerste werd een vraag gezocht waarmee alle aanwezigen zich konden identificeren. Het werd de bovenstaande actuele vraag.

 

 

2.CONCRETISEREN

Daarna werd een ervaringsvoorbeeld gekozen van een van de aanwezigen waarmee de vraag onderzocht kon worden. Het voorbeeld van Joris werd gekozen. Hij was vandaag met zijn zoontje van vijf op een pleintje voor zijn huis om te spelen en ontmoette daar zijn buurvrouw, ook met haar zoontje. Na een tijdje zei de buurvrouw: ik ben maar even uit huis gevlucht want mijn man licht met koorts op bed… Joris reageerde nogal geïrriteerd.

Onderzoeken van het voorbeeld

Nu stellen de deelnemers (feit) vragen aan Joris. Het doel van de vragenstellers is om het voorbeeld van Joris duidelijk voor zich te zien, zodat zij zich later in het gesprek kunnen verplaatsen in Joris’s situatie.

Let op: Het gaat er niet om de voorbeeldgever te helpen en te adviseren (zoals bij intervisie), het doel is dat alle deelnemers gaan reflecteren over de uitgangsvraag en dat doen aan de hand van hetzelfde ervaringsvoorbeeld.

In deze vraagfase komt het aan op de socratische houding van luisteren en vragenstellen. Er wordt naar feiten gevraagd (wie, wat waar, wanneer, hoe, wat werd er gedaan, gedacht en gevoeld?) en naar beweegredenen bij die feiten (wat maakte dat iemand dat dacht/deed?).

Lees hieronder welke vragen werden gesteld. De gespreksleider intervenieert wanneer de vragen het concrete, onderzoekende karakter verliezen. Ik zal hieronder aangeven wanneer er geïntervenieerd moest worden.

Vraag aan Joris: Hoe ging het precies?

Joris: Ik stond op het plein met mijn zoontje en de buurvrouw kwam aanlopen met haar zoontje. Er liepen wel meer ouders en kinderen over het pleintje want het grenst aan een speeltuin. Het zoontje vroeg aan mijn zoontje: wil je voetballen? De buurvrouw kwam naar me toe en zei: ‘Dat is misschien niet zo handig. Mijn man ligt met koorts in bed. Nou ja, het is maar 38 graden, hoor.’ Ik zei: ‘Wij gaan nu naar huis. Ik vind dat je dit niet kan maken. Er zijn hier nu meer kinderen. Dit kan echt niet.’

Vraag: Op welk moment in de gebeurtenis twijfelde je?

Joris: Vrijwel meteen nadat ik me had uitgesproken. ‘Heb ik niet overdreven?’, vroeg ik me af. ‘Wat weten we nou over kinderen en besmettingsgevaar?’ Zij had ook nog gezegd: ‘Hij heeft alleen maar hoofdpijn.’

Vraag: Welke relatie heb je met de buurvrouw?

Joris: Het is de overbuurvrouw. Onze zonen spelen regelmatig met elkaar op het pleintje. Ik kan het vooral met haar man goed vinden.

Madeleine: Hoe reageerden de kinderen op jouw reactie?

Joris: Mijn zoontje liep makkelijk mee, zo van, ‘oké, dat kan dus niet.’ Dat andere jongetje ging gewoon spelen. Hij had misschien ook niet zo veel in de gaten.

Vraag: Wat dacht je toen je die buurvrouw aan zag komen?

Joris: Ik dacht, o, leuk. Want ik had onze zoon alleen met dit jongetje laten spelen omdat de ouders ook wel streng in het contact waren, dacht ik. Daarom voelde ik me misschien ook wel ‘verraden’ Dat zij pas in tweede instantie zei dat haar man ziek was.

Vraag: Wat gebeurde er toen je thuis kwam?

Joris: Als ik me overvallen voel heb ik de neiging om te hard van toon en woorden te zijn. Daar voelde ik me rot over. Mijn vrouw stond wel heel erg achter mijn reactie. Maar ik wilde helemaal geen gevoel van wantrouwen scheppen.

Vraag: Wat vond je het ergst in deze situatie? Dat hij naar buiten is gegaan, of dat hij het niet meteen tegen jou zei?

Joris: Het naar buiten gaan. Je moet de verantwoordelijkheid niet bij een ander leggen. Nu moet ik er iets van zeggen.

Vraag: Hoe reageerde die buurvrouw?

Joris: Zij keek een beetje aangevallen, zo van ‘Huh, waarom zeg jij dit?’ Maar dat kan interpretatie zijn. En daarna ging zij zich verdedigen.

 

Formuleren van het hittepunt

Aan het einde van deze vraagronde werd de voorbeeldgever, Joris, gevraagd wat het hittepunt was, ofwel welk moment in dit voorbeeld het meest bepalend was om de vraag ‘Hoe ver gaat je verantwoordelijkheid?’, te beantwoorden.

Joris: Dat was het moment vlak nadat ik had gezegd: ‘Dit kun je niet maken.’

 

 

3. VERPLAATSEN

Alle deelnemers verplaatsen zich nu in de situatie van Joris, in het hittepunt, met hun eigen karakter en beantwoorden de volgende vragen op schrift:

  1. Wat zou ik voelen?
  2. Wat zou ik denken?
  3. Wat zou ik doen?

Dit waren de antwoorden:

Voelen:  Verraad, verwarring, bezorgdheid, boosheid, verbazing, irritatie, angst, kwaadheid, onbegrip.

Denken: Wat maakt dat je dit zo doet? Wat onzorgvuldig, ik houd me aan de regels en anderen niet. Hoe moeilijk is het om je aan de regels te houden? Verdorie, had je dat niet eerder kunnen zeggen! Hoe kan dit nou? Dit moet anders.

Doen: hieronder staat per deelnemers wat zij zouden doen:

Madeleine: Aanspreken en hem zeggen dat dit niet kan, omdat hij gezinnen van anderen in gevaar brengt. Dat hij terug naar binnen moet gaan en binnen blijven.

José: Boos zeggen dat hij met een zieke vrouw binnen moet blijven omdat zij corona kan hebben en hij de drager kan zijn.

Geert: Vragen hoe hij tegen de situatie aankijkt, om te begrijpen waarom hij dit risico neemt.  De regering heeft gezegd dat het verstandig is om binnen te blijven.

Martin: Ik zou hem uitleggen hoe ik erin sta. Dat ik zelf de situatie niet fijn vind. Waarschijnlijk zou ik met de kinderen naar huis gaan en zeggen: ‘Sorry in mijn optiek moet ik zo handelen.’

Roos: Ik zou heel hard weglopen, ‘wegwezen hier.’

Joris reageert op wat de anderen zeggen: ‘Dat is troostend om te horen.’

Gespreksleider: ‘Wat maakt dat je het woord ‘troostend’ gebruikt?’

Joris: Mijn reactie was voor mijzelf niet bevredigend, maar het was denk ik een samenballing van veel dingen die hier gezegd zijn. Fijn dat mijn reactie voor anderen herkenbaar is. Het roept kennelijk al die emoties op. Er worden door iedereen best grote woorden gebruikt. Het is iets serieus.

Vervolgens werd iedereen inclusief Joris gevraagd:

De antwoorden die je op voelen, denken, doen gegeven hebt. Wat zegt dat over jouw overtuiging in deze situatie? Denk daar even over na en geef dan een voorlopig antwoord op de vraag. Gebruik in je antwoord de woorden uit de vraag en houd het voorbeeld in je achterhoofd. Schrijf je antwoorden eerst voor jezelf op.

Deze antwoorden werden genoteerd:

Madeleine: Zover als nodig dat iedereen zich redelijkerwijs comfortabel en veilig voelt.

Roos: Houd je aan de regels ter bescherming van jezelf en anderen

Joris: We’re in this together. Dat betekent ook dat je een ander in je directe omgeving moet aanspreken op zijn gedrag. Dat niet doen kan verstrekkende gevolgen hebben.

Geert: Je moet je houden aan de door de regering opgestelde regels en anderen daarop wijzen, ongeacht je persoonlijke voorkeur.

Martin: Voordat ik oordeel wil ik altijd een situatie in zijn totaliteit begrijpen. Als iemand enkel uit eigenbelang handelt dan heb ik er geen begrip voor en moet je 100% voor de regels gaan staan.

Maja: Je moet zelf de maatregelen handhaven en andere mensen erop aanspreken.

Gespreksleider vraagt aan de deelnemers:
Zou iemand willen reageren op een van de antwoorden? Valt je iets op? Houdt het gesprek onderzoekend.

 

 

4. ARGUMENTEREN

Roos: Wat bedoel je met verstrekkende gevolgen?

Joris: Dat mensen door jouw actie besmet kunnen worden.’

Roos: Ik heb toch ook moeite met anderen op de regels wijzen. Het wordt een soort sociale controle die we in Nederland niet meer hadden. We hebben een goede reden om elkaar te controleren, maar waar blijft nu onze vrijheid?

Joris: Dat is precies de reden waarom ik met dit voorbeeld kwam.

Martin: Voor mij is die vrijheid de kern van mijn antwoord. In principe wil ik altijd eerst de totale situatie begrijpen. Niet alleen de handeling maar ook waaruit die voortkomt. Als je begrip hebt voor de reden waarom iemand iets doet, dan komt er vrijheid om dat te accepteren tegen de regels in. Ik wil de totale situatie begrijpen voordat ik iemand ga veroordelen.

Maja: De reden waarom iemand met een zieke man zich op straat begeeft kan mij niet veel schelen, al is die reden nog zo begrijpelijk.

Joris: Ja, de besmetting is ook zo snel gebeurd. Je moet meteen handelen, voordat iemand zich tussen andere mensen begeeft.

Geert: Ik wil toch wel eerst de visie van die buurvrouw hierop horen. Dat maakt voor mij uit voor hoe ik zal reageren.

Roos: Dus je laat je besmetten omdat iemand een goede motivatie heeft om besmet naar buiten te gaan?

Geert: Tsja, dat kan inderdaad niet.

Madeleine: Ik zie het minder zwart-wit. Ik zoek het in de interactie. Regels zijn regels, maar ik wil gevoel krijgen ‘waarom doe jij dit?’ Is het mijn burgerplicht om jou aan de regels te herinneren? Je kunt zelf ook een stap naar achter stappen doen zodat je niet besmet wordt.

Joris: Als je naar dit voorbeeld kijkt: dit was de egoïstische keuze van de buurvrouw, het geluk van het zoontje. Dus ja, je had deze persoon naar huis moeten sturen. Ik ben het eens met die situatie analyse, maar het blijft lastig.

Joris: Ik vind het punt van Roos boeiend: ‘Waar blijft onze vrijheid?’ Dat is de angel. Ik moet denken aan een voorbeeld uit Engeland. Daar is een kliklijn geopend waar je het anoniem kunt melden als iemand de regels overtreedt en daar wordt heel veel gebruik van gemaakt. Ik was daardoor geraakt. Dat gaat nog een stap verder dan het één op één aanspreken.

Gespreksleider: Kan iemand uitleggen waarom dat voorbeeld uit Engeland nog een stap verder gaat?

Joris: Dat voelt als verraad.

Martin: Wat mij raakt is dat we dan uitgaan van de slechtheid van de mens in plaats van het vertrouwen in elkaar. Zonder dat je met iemand gesproken hebt ga je iemand aangeven. Je weet niets van diens situatie! Je kunt beter in gesprek gaan zodat je iemand begrijpt en dan op een aardige manier de regels bespreken. Alleen dan stimuleer je mensen echt om zich aan de regels te houden. Je kunt dan zelf ook met een voorbeeld komen dat je ermee worstelt. Met een kliklijn worden mensen tegen elkaar opgezet.

De gespreksleider vraagt: Zouden jullie met elkaar willen bespreken hoe het zit met deze tegenstelling: enerzijds zeggen jullie dat het uitmaakt dat je het motief van de ander kent of je hem of haar op de regels gaat wijzen, maar anderzijds kan het een kwestie van leven of dood zijn als je iemand niet op de regels wijst.

Joris: Het gaat erom dat je met de ander in contact bent, begrip van elkaar leidt tot meer effect van wat je zegt.

Madeleine: Je moet er met elkaar uitkomen en die regels spelen daar een rol in maar dat is niet het hele verhaal. Je moet vanuit een persoonlijke motivatie overtuigen. Dat is zinvoller en houdt de sfeer beter. Niet alleen sec naar de regels kijken.

Naarmate het gesprek vordert vraagt de gespreksleider de deelnemers om meer fundamentele uitspraken. Ze vraagt deelnemers om nogmaals antwoord te geven op de hoofdvraag, met in het achterhoofd de zojuist gevoerde discussie. Nogmaals:

‘Hoe ver gaat onze burgerplicht bij het handhaven van de coronamaatregelen?’

De antwoorden worden opgeschreven en gedeeld:

Madeleine: Zover als mogelijk om onze samenleving veilig en (sociaal) aangenaam te houden

Martin: Onze plicht gaat ver, met gezond verstand maar ook met hart voor elkaar: wees duidelijk en blijf open voor gesprek om van elkaar te leren.

Joris: We kunnen deze crisis als samenleving alleen overwinnen als we in gezamenlijkheid handelen. Daarom moeten we elkaar helpen de regels zo goed mogelijk na te leven, ook als dat betekent dat we daar een ander op moeten aanspreken

Roos: Aanspreken van iemand die zich wat minder verantwoordelijk gedraagt, met begrip voor ieders moeilijke situatie.

Geert: Burgerplicht heeft als doel om elkaar te beschermen. Hij is niet aan de orde als de sociale of maatschappelijke situatie van een individu om een andere concrete invulling vraagt.

De gespreksleider vraagt: Zouden jullie nu kunnen proberen een overtuiging te formuleren ten aanzien van deze kwestie? Ga uit van eerder gedeelde woorden en gedachten en ga na welke overtuiging van jou daar onder zit. Doe een uitspraak waar je achter staat.

Roos: Het vergt lef om niet alleen weg te lopen, maar de ander ook aan te spreken. Tot nu toe zou ik hard weglopen en boos zijn. Meer uit angst dan uit vriendelijkheid. Ik ben iets zachter geworden.

Madeleine: Burgerplicht is iets doen ten bate van de groep dat soms ten koste van jezelf gaat (dat je niet aardig wordt gevonden). Ik neig er nu naar dat je ook pro-actief moet optreden. Dus verder gaan dan alleen jezelf beschermen.

Joris: Zeker als dit langer duurt dan help je elkaar om het vol te houden door pro-actief op de regels te wijzen.

Martin: Ik vraag me nu af: Heb ik ook de rol pro-actief te handelen als mensen in een situatie zitten die niet de mijne is? (bijvoorbeeld als het over kinderen gaat en ik heb zelf geen kinderen?). Dan kan ik namelijk niet vanuit begrip spreken en ben ik toch weer aan het oordelen.

Madeleine: Als je alleen op de feiten wijst ben je niet aan het oordelen.

Roos: Maar dan is het wel moeilijker om contact te maken.

Geert: Het gaat om hart voor elkaar, om het menszijn. Verstand is ook een kwestie van het hart. Ook al wordt het niet gewaardeerd als je er iets van zegt, als je je hart laat spreken dan is het goed.

Joris: vinden we dat eng?
Geert: Ja, ik vind het best wel eng.

Joris: Je merkt het aan mensen. Aanspreken hoeft niet negatief te zijn, maar het wordt wel zo ervaren. Het is eng om je uit te spreken, zeker als je dat vanuit je hart doet.

Martin: Ik probeer eerst mijn eigen verantwoordelijkheid te optimalieren en vervolgens die van anderen. Ik wil proberen duidelijk te zijn maar wel te spreken vanuit mijn hart.

 

 

5. DE ESSENTIE

Ik zou graag nogmaals stil willen staan bij de essentie van dit gesprek. Kunnen jullie zeggen waar dit gesprek voor jou over gaat? Wat gaat jou het meest aan het hart? Probeer daar in een mooie zin een uitspraak over te doen op basis van wat we nu uitgewisseld hebben. Schrijf op voor jezelf.

Roos: Samen zorgen dat we hier goed doorheenkomen.

Martin: Ik hoop dat we verder dan ons eigen belang kunnen en durven kijken, zoveel mogelijk leven voor het collectief omdat je daar zelf uiteindelijk veel baat bij hebt.

Joris: Dit gaat over ons als collectief, de som der delen. We moeten net zo goed voor elkaar als voor onszelf zorgen.

Madeleine: Dit gaat over emotie en de angst om een ander te wijzen op gedrag.

Maja: Ik heb hierdoor meer begrip gekregen voor mensen die deze situatie heel moeilijk vinden.

Geert: We vormen een gemeenschap onder één dak. We wonen in verschillende kamers maar moeten met elkaars behoeften rekening houden.

Hiermee sluiten we het gesprek af. Aan allen dank voor de deelname.

 

Marlou van Paridon,

April 2020,

www.hetsocratischgesprek.nl

 

QR Code Business Card